ECLI:NL:HR:1996:AA1758

Hoge Raad

Datum uitspraak
20 november 1996
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
31669
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • vice-president Stoffer
  • raadsheer Urlings
  • raadsheer C.H.M. Jansen
  • raadsheer Fleers
  • raadsheer Pos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
Verwijzingen
1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en verwijzing inzake proceskostenveroordeling bij navorderingsaanslag inkomstenbelasting

Belanghebbende had beroep ingesteld tegen een navorderingsaanslag inkomstenbelasting over 1985, maar trok dit beroep in. Vervolgens verzocht hij om veroordeling van de Inspecteur in de proceskosten van het beroep bij het hof. Het hof veroordeelde de Inspecteur tot betaling van proceskosten van ƒ 710,--.

Belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak. De Hoge Raad oordeelde dat het hof onjuist had geoordeeld door geen rekening te houden met het feit dat het standpunt van de Inspecteur ook gevolgen had voor latere jaren, terwijl belanghebbende alleen beroep had ingesteld over 1985. De Hoge Raad benadrukte dat de wegingsfactor voor het belang van de zaak ook kan worden vastgesteld op basis van bredere gevolgen.

De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof en verwees de zaak naar het hof te 's-Hertogenbosch voor verdere behandeling. Tevens werd de Staatssecretaris van Financiën veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de kosten van het cassatieberoep aan de zijde van belanghebbende.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar het hof te 's-Hertogenbosch voor verdere behandeling.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 10 november 1995 betreffende een verzoek tot een veroordeling in de proceskosten ingevolge artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
1. Geding voor het Hof Bij de intrekking van een beroepschrift betreffende een aan belanghebbende opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting over het jaar 1985 heeft deze op 1 september 1995 een verzoek gedaan om de Inspecteur te veroordelen in de kosten in verband met de behandeling van het beroep bij het Hof. Het Hof heeft de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende tot een beloop van ƒ 710,--, en gelast dat de Staat dit bedrag aan belanghebbende betaalt. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend.
3. Beoordeling van het middel 3.1 Het Hof heeft geoordeeld dat bij het bepalen van de wegingsfactor als bedoeld onder C 1 van de Bijlage bij het Besluit proceskosten fiscale procedures geen rekening kan worden gehouden met de stelling van belanghebbende dat het in de ingetrokken zaak door de Inspecteur ingenomen standpunt tevens gevolgen had voor latere jaren, nu belanghebbende slechts tegen de over 1985 opgelegde navorderingsaanslag beroep heeft ingesteld en derhalve voor andere jaren geen kosten als bedoeld in artikel 5a, lid 1, van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken heeft gemaakt. Vervolgens heeft het Hof, kennelijk uitgaande van een belang over 1985 vallende in de categorie ƒ 2.001,-- tot en met ƒ 15.000,--, de wegingsfactor 1 toegepast. Hiertegen richt zich het middel. 3.2. In de Nota van Toelichting op het onder 3.1 genoemde Besluit is onderkend dat in sommige situaties het belang niet rechtstreeks aan de hand van het bedrag dat in de zaak aan de orde is kan worden bepaald. Hierover is het volgende opgemerkt:
"In sommige gevallen zal de rechter het belang bij benadering moeten vaststellen. (...). Ook kan het voorkomen dat het belang van een zaak uitstijgt boven het bedrag dat in het voorliggende geval aan de orde is, bij voorbeeld omdat de uitspraak directe gevolgen heeft voor de heffing in latere jaren of voor andere heffingen. (...). In die gevallen dat het belangcriterium niet direct toepasbaar is, is het aan de rechter om, op basis van de uitgangspunten van de regeling, een passende wegingsfactor vast te stellen."
3.3. Dit uitgangspunt heeft het Hof in zijn onder 3.2 samengevatte oordeel miskend. Het middel is gegrond. De uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht, gelet op de inhoud van het procesdossier, termen aanwezig om ten aanzien van de proceskosten die belanghebbende in verband met het geding in cassatie voor de onderhavige zaak redelijkerwijs heeft moeten maken, te beslissen als hierna zal worden vermeld.
5. Beslissing De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof, verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's- Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest, gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van ƒ 300,--, en veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op ƒ 355,--, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is op 20 november 1996 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter en de raadsheren Urlings, C.H.M. Jansen, Fleers en Pos, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Boorsma, en op die datum in het openbaar uitgesproken.