ECLI:NL:HR:1996:AA1768
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Van der Linde
- Van der Putt-Lauwers
- Van Brunschot
- Meij
- Rechtspraak.nl
Beoordeling passivering resterende schuld in fiscale eenheid vennootschapsbelasting
Belanghebbende, een moedervennootschap binnen een fiscale eenheid, werd voor het jaar 1990 aangeslagen voor vennootschapsbelasting. De dochtervennootschap B B.V. had een schuld aan de Staat wegens keurlonen, waarvan een deel was betaald, maar een restant bleef openstaan. In de fiscale balans werd dit restant als voorziening opgenomen.
Het geschil betrof de vraag of deze resterende schuld als juridische verplichting mocht worden gepassiveerd. Het Hof oordeelde dat het vrijwel zeker was dat B B.V. het restant niet zou voldoen, en waardeerde de schuld daarom op nihil in de fiscale balans.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel als feitelijk en niet onbegrijpelijk, en verwierp het cassatieberoep van belanghebbende. Er werden geen proceskosten opgelegd. Het arrest werd op 27 november 1996 uitgesproken.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de resterende schuld niet als juridische verplichting mocht worden gepassiveerd.