ECLI:NL:HR:1996:AA1790
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Stoffer
- raadsheer Urlings
- raadsheer Zuurmond
- raadsheer Pos
- raadsheer Beukenhorst
- Rechtspraak.nl
Verrekening van schenkingsrecht bij waardedaling van geschonken blote eigendom in successierecht
In deze zaak stond centraal de vraag hoe het schenkingsrecht dat is betaald over de blote eigendom van certificaten van aandelen, moet worden verrekend met het successierecht bij waardedaling van de volle eigendom tussen schenking en overlijden. De erflaatster schonk in 1985 aan haar vier kinderen certificaten onder voorbehoud van vruchtgebruik. De waarde van de blote eigendom bedroeg toen 40% van de totale waarde van ƒ 19.000 per certificaat. Ten tijde van het overlijden in 1988 was de waarde van de certificaten gedaald tot ƒ 16.477.
De belanghebbenden hadden bezwaar gemaakt tegen de aanslagen successierecht, waarbij de Inspecteur en het Hof verschillende berekeningsmethoden toepasten voor de verrekening van het schenkingsrecht. De Staatssecretaris stelde in cassatie dat het schenkingsrecht slechts naar evenredigheid van de waardedaling in mindering mocht worden gebracht. Het Hof had echter geoordeeld dat het volledige betaalde schenkingsrecht in mindering komt, mits de waarde van de fictieve verkrijging hoger is dan of gelijk is aan de waarde waarover schenkingsrecht is betaald.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het Hof en stelde dat het object van de schenking de blote eigendom was, terwijl het object van de fictieve verkrijging bij overlijden de volle eigendom is. Zolang de waarde van de volle eigendom ten tijde van overlijden niet lager is dan die van de blote eigendom ten tijde van schenking, is het schenkingsrecht volledig betaald. De waardedaling van de volle eigendom doet hier niet aan af. De Staatssecretaris werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep van de Staatssecretaris wordt verworpen; het betaalde schenkingsrecht komt volledig in mindering op het successierecht.