ECLI:NL:PHR:1996:AA1790
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verrekening schenkingsrecht bij waardedaling blote eigendom in Successiewet 1956
De zaak betreft de erfgenamen van een erflaatster die aan haar kinderen certificaten van aandelen schonk onder voorbehoud van vruchtgebruik. De waarde van deze certificaten was ten tijde van de schenking hoger dan ten sterfdage, wat leidde tot discussie over de verrekening van het betaalde schenkingsrecht met het successierecht volgens artikel 10 van Pro de Successiewet 1956.
De staatssecretaris stelde dat het schenkingsrecht slechts naar evenredigheid verminderd mocht worden, rekening houdend met de waardedaling van de certificaten. De erfgenamen betoogden dat het volledige schenkingsrecht in mindering moest komen, ongeacht waardedaling, omdat de waarde van de blote eigendom ten sterfdage door het eindigen van het vruchtgebruik was gestegen.
De Hoge Raad bevestigde dat artikel 10 Sw Pro. 1956 beoogt de nadelen voor de schatkist te keren door het betaalde schenkingsrecht volledig in mindering te brengen op het successierecht, ook als de waarde van de volle eigendom is gedaald, zolang de waarde van de fictieve verkrijging gelijk is aan of hoger is dan de waarde waarover schenkingsrecht is betaald.
De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel van de staatssecretaris en oordeelde dat het systeem van artikel 10 niet Pro vereist dat het schenkingsrecht wordt gesplitst of naar evenredigheid wordt verminderd. Het tijdstip van de schenking wordt als het ware naar de sterfdag verschoven, waarbij de waarde van het verkregene op dat moment bepalend is.
Hierdoor werd het beroep van de staatssecretaris verworpen en bleef het oordeel van het hof in stand dat het volledige betaalde schenkingsrecht in mindering komt op het successierecht.
Uitkomst: Het beroep van de staatssecretaris wordt verworpen; het volledige betaalde schenkingsrecht komt in mindering op het successierecht volgens artikel 10 Successiewet 1956.