Uitspraak
[X]N.V. te
[Z]tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 10 november 1993 betreffende de aan haar voor het jaar 1985 opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting.
Hoge Raad
Belanghebbende, een naamloze vennootschap, gaf in 1984 een converteerbare obligatielening uit aan een Zwitserse commanditaire vennootschap. De lening kende een rente van 5,5% en was aflosbaar in termijnen vanaf 1987. De houder had het recht om de lening te converteren in aandelen tegen een vaste conversieprijs. De jaarlijkse rente op een vergelijkbare lening zonder conversierecht zou 8% bedragen.
De Inspecteur legde een aanslag vennootschapsbelasting op voor 1985, die na bezwaar en beroep bij het Hof gedeeltelijk werd verminderd. Het Hof oordeelde dat het conversierecht een eigen karakter heeft en niet gelijkgesteld kan worden aan een warrantlening. Het verschil tussen de marktrente en de lagere rente van de converteerbare lening kon niet als rentevoordeel worden afgetrokken van de winst.
In cassatie bevestigde de Hoge Raad het oordeel van het Hof. Het conversierecht maakt deel uit van het vermogensrecht van de obligatiehouder en leidt ertoe dat alleen de feitelijk betaalde rente als kostenpost mag worden beschouwd. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat warrantleningen en converteerbare obligaties wezenlijk van elkaar verschillen. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en veroordeelde niet in proceskosten.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; alleen de feitelijk betaalde rente op converteerbare obligaties is aftrekbaar als kosten.