ECLI:NL:HR:1996:AA1837

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 februari 1996
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
29635
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • R.J.J. Jansen
  • Van der Linde
  • Bellaart
  • De Moor
  • Van Brunschot
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22 lid 4 Wet op de omzetbelasting 1968Art. 29 Wet op de omzetbelasting 1968Art. 34 Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968Art. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
Verwijzingen
2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt uitspraak Hof inzake teruggaaf bij invoer geheven omzetbelasting en verwijst zaak

Belanghebbende deed op 21 december 1989 en 2 februari 1990 aangifte ten invoer van authentieke archeologische voorwerpen uit Costa Rica. De goederen waren ingedeeld onder goederencode 9705 0000 000 900 met een invoerrechtentarief van 0%. Belanghebbende betaalde op 28 februari 1990 een bedrag van ƒ 15.993,30 aan omzetbelasting bij invoer. Op 21 september 1990 verzocht hij om teruggaaf van deze belasting, welke door de Inspecteur op 25 maart 1991 werd geweigerd. Het bezwaar van belanghebbende werd eveneens afgewezen en het Hof Amsterdam bevestigde deze beslissing.

De Hoge Raad oordeelde dat artikel 22, lid 4, van de Wet op de omzetbelasting 1968 niet van toepassing was omdat belanghebbende geen belang had bij behandeling door de Tariefcommissie gezien het 0%-tarief op invoerrechten. Het middel van cassatie dat dit betwistte, werd verworpen. Echter stelde de Hoge Raad vast dat het Hof zich niet had uitgelaten over de toepassing van artikel 34 van Pro de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968, dat bepaalde dat sommige ingevoerde zaken onder een verlaagd tarief vielen.

Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest van het Hof Amsterdam en verwees de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage voor verdere behandeling en beslissing in meervoudige kamer, met inachtneming van het arrest. De Hoge Raad wees geen proceskosten toe.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof Amsterdam en verwijst de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage voor verdere behandeling.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 23 maart 1993 betreffende na te melden aan X te Z gegeven beschikking op een verzoek tot teruggaaf van bij invoer geheven omzetbelasting.
1.Beschikking, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is door de Inspecteur van de Belastingdienst/Douane/Post Stationsgebouw Schiphol op 25 maart 1991 bij beschikking teruggaaf van bij invoer geheven omzetbelasting ten bedrage van ƒ 15.993,30 geweigerd. Het daartegen door belanghebbende gemaakte bezwaar is bij uitspraak van de Inspecteur afgewezen. Belanghebbende is tegen de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van het middel van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: Op 21 december 1989 en 2 februari 1990 heeft belanghebbende aangifte ten invoer van goederen uit Costa Rica gedaan, van welke goederen bij onderzoek werd vastgesteld dat het authentieke archeologische voorwerpen betrof met een douanewaarde van ƒ 82.550,-- onderscheidenlijk ƒ 3.900,--. Het tarief van invoerrechten van deze in goederencode 9705 0000 000 900 ingedeelde goederen bedraagt 0%. Belanghebbende heeft op 28 februari 1990 een bedrag van ƒ 15.993,30 voldaan wegens de bij invoer verschuldigde omzetbelasting. Op 21 september 1990 verzocht hij de Inspecteur om teruggaaf van deze omzetbelasting, welk verzoek door de Inspecteur op 25 maart 1991 bij beschikking werd afgewezen.
3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat hetgeen is bepaald in artikel 22, lid 4, van de Wet op de omzetbelasting 1968 niet in de weg staat aan het onderwerpelijke beroep. Aangezien belanghebbende geen belang had bij behandeling van het geschil door de Tariefcommissie, daar immers het invoerrecht op de door hem ingevoerde goederen 0% bedraagt, heeft het Hof terecht genoemd artikel 22, lid 4, niet van toepassing geacht. Het middel, dat van een tegengestelde opvatting uitgaat, kan derhalve niet tot cassatie leiden.
4. Ambtshalve beoordeling van 's Hofs uitspraak De uitspraak van het Hof en de stukken van het geding laten geen andere gevolgtrekking toe dan dat onder de ingevoerde voorwerpen mede zaken waren begrepen, die ingevolge de destijds geldende tekst van artikel 34 van Pro de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 aan het verlaagde tarief zijn onderworpen. Nu het Hof zich over toepassing van bedoeld artikel niet heeft uitgelaten, kan 's Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.
5. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
6. Beslissing De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof, en verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Van der Linde, Bellaart, De Moor en Van Brunschot, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Lubbers, in raadkamer van 7 februari 1996.