ECLI:NL:PHR:2000:AA4745
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toepassing artikel 13b Wet vennootschapsbelasting bij afwaardering en prijsgeven vordering op dochtervennootschap
In deze zaak staat de toepassing van artikel 13b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 centraal. De belanghebbende had in 1992 aandelen en vorderingen op B BV gekocht. In 1993 werd de vordering afgewaardeerd en het verlies ten laste van de belastbare winst gebracht. De Inspecteur stelde dat deze afwaardering in 1994 moest worden teruggenomen omdat de vordering was omgezet in informeel kapitaal.
Het Gerechtshof Amsterdam oordeelde dat de vordering was prijsgegeven en dat het bedrag van f 499.999 tot de belastbare winst moest worden gerekend, gebaseerd op artikel 13b lid 4 Wet Vpb 1969. De belanghebbende stelde cassatie in tegen deze beslissing met twee middelen: onvoldoende motivering van het prijsgeven en het standpunt dat de vordering van meet af aan informeel kapitaal was.
De Hoge Raad overwoog dat artikel 13b niet bedoeld is om fouten uit het verleden te herstellen door navordering, maar om te voorkomen dat aftrekposten voortijdig definitief worden gemaakt. De stelling dat de vordering informeel kapitaal was, werd door het Hof terecht afgewezen wegens onvoldoende feiten en omstandigheden. Het prijsgeven van de vordering werd als feitelijke beslissing bevestigd. De Hoge Raad verwierp de cassatiemiddelen en bevestigde dat het afwaarderingsverlies bij de belastbare winst moet worden gerekend.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat het afwaarderingsverlies bij de belastbare winst moet worden gerekend.