ECLI:NL:HR:1996:AA1856
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Van der Linde
- Bellaart
- De Moor
- Van der Putt-Lauwers
- Rechtspraak.nl
Beoordeling waardering erfpacht bij staking melkveebedrijf en proceskostenveroordeling in belastingprocedure
Belanghebbende, een melkveehouder, staakte zijn bedrijf in 1988 en bracht een deel van zijn onroerende zaken over naar privévermogen door verkoop en uitgifte in erfpacht. De Inspecteur waardeerde de erfpacht als vrije waarde, wat belanghebbende betwistte. Het Hof stelde dat de waarde rekening moest houden met de erfpacht en oordeelde dat belanghebbende zakelijk had gehandeld binnen zijn ondernemingsuitoefening.
De Staatssecretaris stelde cassatieberoep in tegen de uitspraken van het Hof, onder meer over de waardering en de proceskostenveroordeling. De Hoge Raad oordeelde dat de waardering van de landerijen in verpachte staat juist was, omdat de uitgifte in erfpacht onderdeel was van het ondernemersbeleid bij staking van het bedrijf.
Daarnaast behandelde de Hoge Raad de procedurele vraag rond de proceskostenveroordeling in belastingzaken, waarbij een nieuwe regeling per 1994 was ingevoerd. De Raad stelde dat in overgangssituaties partijen gelegenheid moeten krijgen zich uit te laten over proceskosten en dat beide uitspraken van het Hof als één geheel moeten worden gezien. De beroepen in cassatie werden verworpen, en belanghebbende kreeg de gelegenheid zich uit te laten over proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp de beroepen in cassatie en bevestigde dat de waardering van de landerijen rekening houdt met de erfpacht, met nadere procedure over proceskostenveroordeling.