ECLI:NL:HR:1996:AA1939

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 juni 1996
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
31131
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • vice-president Stoffer
  • raadsheer Urlings
  • raadsheer Zuurmond
  • raadsheer Fleers
  • raadsheer Pos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 WUBOArt. 30 lid 1 Wet op de inkomstenbelasting 1964Art. 25 lid 1 letter g Wet op de inkomstenbelasting 1964Art. 11 lid 1 letter q Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965Art. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
Verwijzingen
3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt belastingaanslag inkomstenbelasting 1991 ondanks beroep op WUBO-uitkering

Belanghebbende kreeg voor het jaar 1991 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd op een belastbaar inkomen van ƒ 84.557,--. Na bezwaar werd deze aanslag gehandhaafd. Belanghebbende ging in beroep bij het Hof te 's-Gravenhage, dat de aanslag bevestigde. Vervolgens stelde belanghebbende beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad oordeelde dat de volgens artikel 19 van Pro de Wet uitkeringen burgeroorlogsslachtoffers 1940-1945 toegekende maandelijkse uitkering een periodieke uitkering van publiekrechtelijke aard is zoals bedoeld in artikel 30 van Pro de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Hierdoor is artikel 25 lid 1 letter Pro g niet van toepassing. Het Hof had dit terecht vastgesteld, waardoor het eerste middel faalt.

Het tweede middel, gericht tegen de verbindendheid van artikel 11 lid 1 letter Pro q van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965, werd eveneens verworpen omdat ook bij onverbindendheid van die bepaling de uitkering op grond van artikel 30 van Pro de Wet tot het belastbare inkomen behoort.

Ten slotte oordeelde de Hoge Raad dat er geen gronden waren voor een veroordeling in proceskosten conform artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken. Het beroep in cassatie werd derhalve verworpen en het arrest werd op 12 juni 1996 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de aanslag inkomstenbelasting 1991 inclusief de WUBO-uitkering als belastbaar inkomen.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 5 februari 1995 betreffende de hem voor het jaar 1991 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1991 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 84.557,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend.
3. Beoordeling van de middelen 3.1. Het Hof heeft terecht geoordeeld dat de ingevolge artikel 19 van Pro de Wet uitkeringen burgeroorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: WUBO) aan belanghebbende toegekende maandelijkse uitkering, als zijnde een uitkering waarop krachtens een wettelijke bepaling van publiekrechtelijke aard aanspraak kan worden gemaakt, een periodieke uitkering van publiekrechtelijke aard als bedoeld in artikel 30, lid 1, aanhef en letter a, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) vormt. Reeds daarom mist artikel 25, lid 1, letter g, hier betekenis. Middel I dat uitgaat van een andere opvatting, faalt. 3.2. Middel II, dat is gericht tegen het oordeel van het Hof dat het bepaalde in artikel 11, lid 1, letter q, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 niet onverbindend is, kan niet tot cassatie leiden. Immers, zo deze bepaling onverbindend zou zijn, staat dat niet eraan in de weg dat de onderhavige uitkering op grond van het bepaalde in artikel 30 van Pro de Wet tot het belastbare inkomen behoort. 3.3. Het Hof heeft geen termen aanwezig geacht voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het bepaalde in dat artikel en behoefde geen nadere motivering. Middel III faalt derhalve.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is op 12 juni 1996 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Urlings, Zuurmond, Fleers en Pos, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Loen, en op die datum in het openbaar uitgesproken.