Uitspraak
9 februari 1996.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
In deze zaak gaat het om de vraag of het schip FRIO ALASKA zich in gevaar bevond op het moment dat de Unie van redding- en sleepdienst hulp verleende, waardoor hulploon verschuldigd zou zijn. Arsenal Marine S.A. en Laskaridis Shipping LTD. (gezamenlijk Arsenal c.s.) betwistten dit en stelden dat het schip geen gevaar liep en slechts een vergoeding voor normale sleepbootassistentie verschuldigd was.
De rechtbank oordeelde dat er geen sprake was van gevaar en kende een vergoeding toe van ƒ 7.500,--. Het hof stelde echter dat er sprake was van enig gevaar, zij het niet in sterke mate, en kende een hulploon toe van ƒ 18.000,--. Arsenal c.s. stelde cassatieberoep in tegen dit oordeel.
De Hoge Raad overwoog dat het begrip 'gevaar' in de zin van art. 8:557 lid 1 BW Pro ruim moet worden uitgelegd, mede gelet op internationale verdragen en het belang van de veiligheid van de scheepvaart. De aanwezigheid van normaal beschikbare hulpmiddelen zoals sleepboten sluit het bestaan van gevaar niet uit. Het hof had terecht geoordeeld dat het schip niet op eigen kracht het dreigend onheil kon afwenden en dat er sprake was van een reële dreiging. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en veroordeelde Arsenal c.s. in de proceskosten.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat hulploon verschuldigd is omdat het schip zich in gevaar bevond.