Uitspraak
2, of ƒ 436.800,-- voor de gehele bedrijfsruimte, per jaar.
a, tweede lid, BW, de huurprijzen betrokken van een aantal, naar haar oordeel, vergelijkbare bedrijfsruimten.
avergelijkbaar zijn met de onderhavige bedrijfsruimte. 3.2.2 Onderdeel 1 is gericht tegen rov. 4.6 van de Rechtbank, waarin zij overweegt, samengevat weergegeven, dat ook van een goed vergelijkingspand sprake kan zijn wanneer de activiteiten die in dat pand plaatsvinden niet overeenstemmen met die welke plaatsvinden in de bedrijfsruimte waarvan de huurprijs dient te worden vastgesteld.
aniet uitsluit.
a, tweede lid, laatste volzin, verbeteringen van het gehuurde door de huurder geen grond kunnen opleveren tot verhoging van de huurprijs. Weliswaar kan een bijzondere geschiktheid van het verhuurde om het met betrekkelijk geringe kosten beter in te richten voor het doel waarvoor het is verhuurd, een factor zijn die op de huurwaarde van invloed is, en die bij de bepaling van de huurwaarde in aanmerking mag worden genomen (HR 9 juni 1990, NJ 1991, 198), maar de Rechtbank heeft, anders dan onderdeel 8 tot uitgangspunt neemt, niet ervan blijk gegeven dat te hebben miskend. Zij heeft daarentegen kennelijk geen gronden aanwezig geacht voor het aanvaarden van een uitzondering op de zoëven bedoelde hoofdregel. Laatst vermeld oordeel geeft niet van een onjuiste rechtsopvatting blijk, het is in het licht van de inhoud van de gedingstukken ook niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering. Daarop stuiten de onderdelen, voor zover zij al feitelijke grondslag hebben, af.
26 april 1996.