Uitspraak
NJ1986, 277).
22 november 1996.
Hoge Raad
Martinair verzocht ontbinding van de arbeidsovereenkomst met verzoeker, die na langdurige arbeidsongeschiktheid slechts gedeeltelijk kon werken. Martinair voerde aan dat door uitbesteding van schoonmaakwerkzaamheden geen passende functie meer bestond. De kantonrechter ontbond de arbeidsovereenkomst per 1 mei 1995. Verzoeker stelde hoger beroep in, maar de rechtbank verklaarde dit niet-ontvankelijk.
Verzoeker stelde dat de kantonrechter niet eerlijk en onpartijdig had gehandeld door een bewijsaanbod te negeren. De rechtbank oordeelde dat bij schending van fundamentele rechtsbeginselen het hoger beroep ontvankelijk kon zijn, maar vond geen schending van hoor en wederhoor. De Hoge Raad vernietigde de beschikking van de rechtbank wegens het niet openbaar uitspreken van de beschikking en bevestigde de ontbinding van de arbeidsovereenkomst.
De Hoge Raad overwoog dat in een spoedprocedure zonder wettelijke bewijsregels de kantonrechter zonder getuigenverhoor kan beslissen. Partijen hadden gelijke kansen gehad om hun standpunten toe te lichten. De Hoge Raad veroordeelde verzoeker in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de ontbinding van de arbeidsovereenkomst en vernietigt de niet-openbare beschikking van de rechtbank.