ECLI:NL:HR:1997:AA2108
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Stoffer
- raadsheer Urlings
- raadsheer Pos
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt dat aanslag verontreinigingsheffing pas na kalenderjaar mag worden opgelegd
Het College van dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap van Uitwaterende Sluizen in Hollands Noorderkwartier stelde cassatieberoep in tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam. Het geschil betrof een aanslag in de verontreinigingsheffing oppervlaktewateren over het jaar 1994, opgelegd aan een belanghebbende voor een perceel te Z.
De rechtbank had de aanslag vernietigd omdat deze was opgelegd vóór het einde van het kalenderjaar, terwijl volgens artikel 11, lid 4, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen de belastingschuld pas na afloop van het kalenderjaar kan worden vastgesteld. Het Hoogheemraadschap stelde dat in gevallen van forfaitaire heffing de belastingschuld wel eerder vastgesteld kon worden, op grond van de Verordening Kwaliteitsbeheer 1994 en de Wet verontreiniging oppervlaktewateren.
De Hoge Raad oordeelde echter dat de forfaitaire vervuilingswaarde alleen kan worden vastgesteld na afloop van het belastingtijdvak, omdat het feitelijk moet worden vastgesteld dat de vervuilingswaarde één eenheid of minder bedraagt. Hierdoor faalt het middel en wordt het beroep verworpen.
De Hoge Raad wees geen proceskosten toe en bevestigde hiermee de uitspraak van het Hof dat de aanslag onrechtmatig was opgelegd.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt verworpen en de aanslag wordt geacht onrechtmatig te zijn opgelegd.