ECLI:NL:HR:1997:AA2124
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over bevoegdheid en bewijsaanbod bij navorderingsaanslag inkomstenbelasting 1987
Belanghebbende was in 1987 commissaris en aandeelhouder van een besloten vennootschap. Na vragen over de aangiften inkomstenbelasting 1987 en 1988 van zijn zoon, werden onderzoeken ingesteld naar de belastingaangiften van zowel de zoon als belanghebbende zelf. Hierbij werd een negatief netto privésaldo vastgesteld, dat belanghebbende betwistte door inkomsten uit weddenschappen en verkoop van een muntenverzameling.
Het hof handhaafde de navorderingsaanslag die was opgelegd door een andere inspecteur dan degene die de oorspronkelijke aanslag had vastgesteld, waarbij het hof oordeelde dat de wetswijziging in artikel 26 AWR Pro dit toestaat. Dit oordeel werd door de Hoge Raad bevestigd.
Echter, het hof had het bewijsaanbod van belanghebbende in zijn tweede pleitnota niet gemotiveerd beoordeeld of toegelicht waarom het bewijsaanbod werd gepasseerd. Dit gebrek aan motivering leidt tot vernietiging van het hofarrest en verwijzing van de zaak.
De Hoge Raad behandelde de overige middelen niet en stelde dat het arrest van het hof niet in stand kan blijven vanwege het ontbreken van een deugdelijke motivering omtrent het bewijsaanbod.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering van het bewijsaanbod en de zaak wordt verwezen voor verdere behandeling.