ECLI:NL:PHR:2009:BG9042
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Ongelijke behandeling binnenlandse en buitenlandse rooktabak schendt gelijkheidsbeginsel
Belanghebbende, producent van rooktabak en vergunninghouder van een accijnsgoederenplaats, kreeg een naheffingsaanslag opgelegd wegens het in de handel brengen van rooktabak met oude accijnszegels na de overgangstermijn. Het geschil betrof de vraag of het onderscheid in overgangsregelingen tussen binnenlandse en buitenlandse rooktabak in strijd was met het gelijkheidsbeginsel.
Het hof oordeelde dat er een objectieve en redelijke rechtvaardigingsgrond bestond voor het onderscheid, gebaseerd op een verklaring van een getuige over logistieke redenen. De inspecteur wilde deze getuige horen ter nadere onderbouwing, maar het hof wees dit bewijsaanbod af omdat het onvoldoende gespecificeerd was en het hof aannam dat het slechts een herhaling van eerdere verklaringen betrof.
De Hoge Raad stelt dat het hof het bewijsaanbod te beperkt heeft opgevat en niet mocht voorbijgaan aan het aanbod zonder de inspecteur expliciet te vragen of de getuige alleen wilde herhalen wat eerder was verklaard. Het hof had het aanbod moeten toelaten omdat het getuigenis mogelijk aanvullende rechtvaardigingsgronden kon bevatten. De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug.
Het oordeel van het hof dat geen redelijke rechtvaardigingsgrond bestond voor het onderscheid is niet onbegrijpelijk, maar het procesrechtelijke oordeel over het bewijsaanbod is onjuist. De zaak wordt terugverwezen voor verdere behandeling met inachtneming van het bewijsaanbod.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug vanwege onjuiste bewijsopname over het gelijkheidsbeginsel bij accijnsheffing.