ECLI:NL:HR:1997:AA2155
Hoge Raad
- Cassatie
- De Moor
- Van der Putt-Lauwers
- Meij
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting en verwerpt wrakingsklacht
Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting opgelegd over het tijdvak 1 januari tot en met 30 september 1988. Na bezwaar en beroep bij het Hof Arnhem werd de aanslag gehandhaafd, inclusief een verhoging. De Hoge Raad vernietigde het eerste arrest en verwees de zaak terug naar het Hof voor herbeoordeling.
In het tweede geding stelde belanghebbende opnieuw beroep in cassatie in, met klachten onder meer over de samenstelling van de meervoudige kamer en de beoordeling van het bewijs. De Hoge Raad oordeelde dat bezwaren tegen rechters uiterlijk ter zitting kenbaar moeten worden gemaakt, wat hier niet was gebeurd. De wrakingsklacht faalde daarom.
Het Hof had geoordeeld dat belanghebbende feitelijk gedurende het gehele tijdvak het motorrijtuig in bezit had, ondanks vrijwaringsbewijzen. De Hoge Raad bevestigde dat het Hof terecht het bewijs had beoordeeld en de aanslag inclusief verhoging had gehandhaafd. De Staatssecretaris had de verhoging later kwijtgescholden, waardoor klachten hierover niet meer relevant waren.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en legde geen proceskosten op. Het arrest werd op 11 juni 1997 uitgesproken door de raadsheren De Moor, Van der Putt-Lauwers en Meij.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting inclusief de verhoging.