ECLI:NL:HR:1997:AA2200

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 juni 1997
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
32268
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • R.J.J. Jansen
  • Van der Linde
  • Bellaart
  • Van Brunschot
  • Meij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt uitspraak Hof over aftrek woongedeelte boerderij in landbouwmaatschap

Belanghebbende, die samen met zijn vader een landbouwmaatschap voert, kreeg voor het jaar 1992 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd op een belastbaar inkomen van ƒ 51.206,--. De Inspecteur handhaafde deze aanslag na bezwaar en het Hof bevestigde dit in beroep. De discussie betrof de fiscale behandeling van de pachtsom en afschrijvingen die betrekking hadden op het woongedeelte van een boerderij dat door belanghebbende werd bewoond.

Het Hof stelde het voordeel van het woongedeelte vast op 70% van ƒ 6.360,--, zijnde ƒ 4.452,--, en rekende dit als belastbaar voordeel. Belanghebbende stelde dat de kosten die verband houden met het woongedeelte, waaronder een deel van de pachtsom en afschrijvingen op verbouwingskosten, niet ten laste van de winst mochten worden gebracht omdat deze privé-uitgaven betroffen.

De Hoge Raad oordeelde dat de kosten die betrekking hebben op het woongedeelte van de boerderij niet als bedrijfskosten mogen worden afgetrokken. Deze uitgaven zijn privé en mogen niet ten laste van de winst worden gebracht. De Hoge Raad stelde het aandeel van belanghebbende in deze kosten vast op 70% van het totaalbedrag van ƒ 4.594,--, zijnde ƒ 3.215,80, en vernietigde het arrest van het Hof en de uitspraak van de Inspecteur. De aanslag werd verminderd tot een belastbaar inkomen van ƒ 50.093,--.

Daarnaast veroordeelde de Hoge Raad de Staatssecretaris van Financiën tot vergoeding van de proceskosten van belanghebbende, waaronder griffierechten en kosten van rechtsbijstand, en wees de Staat aan als de partij die de kosten van het Hof moet vergoeden.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof, vermindert de aanslag en wijst proceskosten toe aan belanghebbende.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 23 mei 1996 betreffende de hem voor het jaar 1992 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1992 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 51.206,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.
3. Beoordeling van het middel van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: Belanghebbende oefent met zijn vader in maatschapsverband het landbouwbedrijf uit. In het onderhavige jaar was belanghebbende voor 70% gerechtigd in de winst van de maatschap. Door de vader is in de maatschap ingebracht het gebruik en genot van de door hem gepachte onroerende zaken; hiertoe behoort een boerderij met een woon- en bedrijfsgedeelte. De totale pachtsom bedroeg in 1992 ƒ 20.448,--. Bij het bepalen van de winst van de maatschap hebben de maten de gehele pachtsom tot de bedrijfskosten gerekend. Het gedeelte van de pachtsom dat kan worden toegerekend aan het woongedeelte van de boerderij, dat door belanghebbende wordt bewoond, te weten een bedrag van ƒ 2.114,--, hebben zij als overige opbrengsten ten gunste van het resultaat geboekt. In het onderhavige jaar is een bedrag van ƒ 2.480,-- ten laste van het resultaat gebracht in verband met de afschrijving op geactiveerde verbouwingskosten van het woongedeelte van de boerderij.
3.2. Het Hof heeft, ervan uitgaande dat tussen partijen niet in geschil is dat het genot van het woongedeelte van de boerderij als een door belanghebbende uit de onderneming van de maatschap genoten voordeel moet worden aangemerkt, de Inspecteur in zijn standpunt gevolgd dat de grootte van dit voordeel gelijk is aan de waarde die daaraan in het economische verkeer kan worden toegekend, zijnde 70% van ƒ 6.360,-- = ƒ 4.452,--.
3.3. Het middel, dat zich tegen dit oordeel richt, slaagt. In een geval als het onderhavige dienen de feitelijk ten behoeve van het woongedeelte van de boerderij gemaakte kosten niet ten laste van de winst te worden gebracht, zodat ten aanzien van belanghebbende de kosten die verband houden met het aan het woongedeelte toe te rekenen gedeelte van de pachtsom, evenmin als de afschrijving op de geactiveerde verbouwingskosten van het woongedeelte van de boerderij als bedrijfskosten kunnen gelden. Deze voor privé-doeleinden gedane uitgaven kunnen derhalve niet ten laste van de winst worden gebracht. Zij dienen voor belanghebbendes aandeel te worden gesteld op 70% van (ƒ 2.114,-- + ƒ 2.480,--) = ƒ 3.215,80. 's Hofs uitspraak kan mitsdien niet in stand blijven. De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht termen aanwezig om ten aanzien van de proceskosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het geding in cassatie en het geding voor het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken, te beslissen als hierna zal worden vermeld.
5. Beslissing De Hoge Raad: vernietigt de uitspraak van het Hof alsmede die van de Inspecteur; vermindert de aanslag tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 50.093,--; gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van ƒ 300,--, alsmede het bij het Hof gestorte griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof ten bedrage van ƒ 75,--, derhalve in totaal ƒ 375,--; veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op ƒ 710,-- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand; veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op ƒ 887,50 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst aan de Staat als de rechtspersoon die de bij het Hof gemaakte kosten moet vergoeden.
Dit arrest is op 18 juni 1997 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Van der Linde, Bellaart, Van Brunschot en Meij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 23 mei 1996 betreffende de hem voor het jaar 1992 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1992 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 51.206,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.
3. Beoordeling van het middel van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: Belanghebbende oefent met zijn vader in maatschapsverband het landbouwbedrijf uit. In het onderhavige jaar was belanghebbende voor 70% gerechtigd in de winst van de maatschap. Door de vader is in de maatschap ingebracht het gebruik en genot van de door hem gepachte onroerende zaken; hiertoe behoort een boerderij met een woon- en bedrijfsgedeelte. De totale pachtsom bedroeg in 1992 ƒ 20.448,--. Bij het bepalen van de winst van de maatschap hebben de maten de gehele pachtsom tot de bedrijfskosten gerekend. Het gedeelte van de pachtsom dat kan worden toegerekend aan het woongedeelte van de boerderij, dat door belanghebbende wordt bewoond, te weten een bedrag van ƒ 2.114,--, hebben zij als overige opbrengsten ten gunste van het resultaat geboekt. In het onderhavige jaar is een bedrag van ƒ 2.480,-- ten laste van het resultaat gebracht in verband met de afschrijving op geactiveerde verbouwingskosten van het woongedeelte van de boerderij.
3.2. Het Hof heeft, ervan uitgaande dat tussen partijen niet in geschil is dat het genot van het woongedeelte van de boerderij als een door belanghebbende uit de onderneming van de maatschap genoten voordeel moet worden aangemerkt, de Inspecteur in zijn standpunt gevolgd dat de grootte van dit voordeel gelijk is aan de waarde die daaraan in het economische verkeer kan worden toegekend, zijnde 70% van ƒ 6.360,-- = ƒ 4.452,--.
3.3. Het middel, dat zich tegen dit oordeel richt, slaagt. In een geval als het onderhavige dienen de feitelijk ten behoeve van het woongedeelte van de boerderij gemaakte kosten niet ten laste van de winst te worden gebracht, zodat ten aanzien van belanghebbende de kosten die verband houden met het aan het woongedeelte toe te rekenen gedeelte van de pachtsom, evenmin als de afschrijving op de geactiveerde verbouwingskosten van het woongedeelte van de boerderij als bedrijfskosten kunnen gelden. Deze voor privé-doeleinden gedane uitgaven kunnen derhalve niet ten laste van de winst worden gebracht. Zij dienen voor belanghebbendes aandeel te worden gesteld op 70% van (ƒ 2.114,-- + ƒ 2.480,--) = ƒ 3.215,80. 's Hofs uitspraak kan mitsdien niet in stand blijven. De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht termen aanwezig om ten aanzien van de proceskosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het geding in cassatie en het geding voor het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken, te beslissen als hierna zal worden vermeld.
5. Beslissing De Hoge Raad: vernietigt de uitspraak van het Hof alsmede die van de Inspecteur; vermindert de aanslag tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 50.093,--; gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van ƒ 300,--, alsmede het bij het Hof gestorte griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof ten bedrage van ƒ 75,--, derhalve in totaal ƒ 375,--; veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op ƒ 710,-- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand; veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op ƒ 887,50 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst aan de Staat als de rechtspersoon die de bij het Hof gemaakte kosten moet vergoeden.
Dit arrest is op 18 juni 1997 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Van der Linde, Bellaart, Van Brunschot en Meij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.