Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Overzicht
woninggeen ondernemingsvermogen is en haars inziens reeds daarom art. 3.16 Wet IB 2001 aftrek verhindert, nu de werkruimte bij gebrek aan zelfstandigheid niet voldoet aan de eisen van die bepaling.
woninggeen ondernemingsvermogen is, nu de belanghebbende het
huurrechtals (keuzevermogen en daarmee als) ondernemingsvermogen wil aanmerken. Ook het huurrecht is volgens het Hof echter geen ondernemingsvermogen omdat de belanghebbende geen economisch eigenaar is en zijn huurrecht evenmin een economisch goed is, zodat het huurrecht geen bedrijfsmiddel en niet kan worden geactiveerd. Pas daarna past het Hof art. 3.16 Wet IB 2001 (alsnog) toe en concludeert hij dat bij gebrek aan zelfstandigheid van de werkruimte evenmin een evenredig deel van de huur als ondernemingskosten in aftrek komt.
know howwaarvoor alle ontwikkelingskosten meteen afgeboekt zijn.
huurrecht, hoe dan ook de
woningniet tot het onder-nemingsvermogen van de belanghebbende behoort, zodat art. 3.16 Wet IB 2001 aangrijpt. Ook die benadering acht ik echter onjuist. Weliswaar ziet art. 3.16 Wet IB 2001 ook op huurwoningen, maar aangezien bij huurwoningen de
woning(de stenen) überhaupt geen vermogen van de huurder kan zijn (dus ook geen privévermogen of ondernemingsvermogen van de huurder), kan die bepaling bij huurwoningen alleen op het
huurrechtzien; voor de woning kan immers geen sprake zijn van vermogensetikettering, nu de woning voor de belanghebbende ondernemer überhaupt geen vermogen is. Zonder aanwijzing in tekst of wetsgeschiedenis ligt het ook niet voor de hand dat de strekking van art. 3.16 Wet IB 2001 zou zijn om de vermogensetiketteringsregels uit te schakelen, waarvan de wetgever zich realiseerde dat zij niet synchroon lopen met de criteria van art. 3.16 Wet IB 2001.
BNB2005/240 achtte u een pachtrecht fiscaalrechtelijk splitsbaar in een privédeel en een ondernemingsdeel, hoewel het pachtcontract civielrechtelijk niet gesplitst kon worden in een woongedeelte en een bedrijfsgedeelte. Dat een
woningzoals de door de belanghebbende gehuurde zich civielrechtelijk evenmin laat splitsen als een pachtovereenkomst (de voor de onderneming gebruikte ruimte is immers niet zelfstandig), hoeft er niet aan in de weg te staan dat het
huurrechtfiscaalrechtelijk gesplitst wordt. De algemene vraag óf een deels voor ondernemingsuitoefening gebruikt huurrecht fiscaalrechtelijk gesplitst kan worden in een deel privévermogen en een deel ondernemingsvermogen lijkt mij een rechtsvraag, die u zou kunnen overwegen te beantwoorden.
toolop de website van de belastingdienst behoeft dan geen behandeling, maar als u daar wel aan toekomt, meen ik dat dat beroep faalt, evenals zijn beroep op het beginsel “dat partijen als gelijke personen voor UW rechterstoel staan.” Algemene voorlichting kan volgens vaste rechtspraak geen rechtens te honoreren vertrouwen in strijd met de wet wekken zonder (in casu niet-gestelde) dispositieschade en de belanghebbende heeft niet gesubstantieerd dat aan het beginsel van gelijkheid van procespartijen of aan de vereiste hoor en wederhoor afbreuk zou zijn gedaan.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
toolop de website van de Belastingdienst. Ook in hoger beroep was dus in geschil of een (extra) bedrag ad € 8.033 (€ 8.935 -/- € 902) als huisvestingskosten op de winst uit onderneming in mindering kwam, onder bijtelling ex art. 3.19 Wet IB 2001 bij die winst van € 2.700 als onttrekking voor privégebruik.
3.Het geding in cassatie
toolop de website van de Belastingdienst die uitwijst dat huurkosten van een woning die voor meer dan 10% wordt gebruikt voor de onderneming aftrekbaar zijn.
huurrechtwel ondernemingsvermogen kan zijn, dan nog komen de huisvestingskomsten volgens de Staatssecretaris niet in aftrek door de werking van art. 3.16 Wet IB 2001, nu de
woningniet tot het ondernemingsvermogen behoort. De Staatssecretaris gaat ervan uit dat de belanghebbende zich beroept op een uitspraak van het Hof Amsterdam [6] waarin kosten van een werkruimte in een huurwoning in aftrek kwamen. Die zaak acht de Staatssecretaris niet van belang omdat hij niet art. 3.16 Wet IB 2001 betrof (in die zaak was (wél) voldaan aan de zelfstandigheidseis en de inkomenseis), maar de aftrekuitsluiting ex art. 3.17(1)(c) Wet IB 2001, die niet van toepassing werd geacht omdat het Hof oordeelde dat het huurrecht niet tot het privévermogen behoorde. Het beroep op het vertrouwensbeginsel kan volgens de Staatssecretaris evenmin slagen, omdat uitlatingen op de internetpagina van de Belastingdienst niet als toezegging of goedkeuring zijn op te vatten en geen in rechte te honoreren vertrouwen contra legem kunnen wekken.
BNB2010/19 en HR
BNB2011/72 niet aan de orde komt. Omdat de werkruimte zich in een gehuurde woning bevindt, behoort deze niet tot het ondernemingsvermogen van de belanghebbende. Noch uit de tekst van art. 3.16 Wet IB 2001 noch uit de wetsgeschiedenis valt af te leiden dat de vermogensetikettering van het huurrecht bij de toepassing van de aftrekbeperking ter zake zou doen. De Staatssecretaris wijst net als de Inspecteur op de MvT bij de Veegwet Wet IB 2001 ter zake van art. 3.16 Wet IB 2001 [8] :
4.Wettelijk kader en wetsgeschiedenis
niet-ondernemingsvermogen. Ook de eveneens door de Staatssecretaris (zie p. 2 dupliek) aangehaalde tekst van de voorganger van art. 3.16 Wet IB 2001, art. 8b Wet IB 1964, gaat alleen over de ‘
niettot zijn ondernemingsvermogen behorende woning’, en hetzelfde geldt voor de door de Staatssecretaris geciteerde toelichting op die voorganger (curs. PJW): [11]
De post ziet niet op kantoorruimten, gelegen in tot het ondernemingsvermogen behorende woningen of woongedeelten van woon/bedrijfspanden.”
5.Analyse van het geschil, de oordelen van de feitenrechters en de rechtsvraag
niet-ondernemingsvermogen betreft, niet van toepassing is en de volle huur afgetrokken kan worden onder gelijktijdige bijtelling van het onttrekkingsforfait ex art. 3.19 Wet IB 2001.
huurrechtondernemingsvermogen is, nu het er voor de toepassing van de aftrekbeperking ex art. 3.16 Wet IB 2001 om gaat of de
woningondernemingsvermogen is. Dat is niet het geval, zodat art. 3.16(1) Wet IB 2001 aftrek verhindert wegens de onzelfstandigheid van belanghebbendes werkruimte. De Staatssecretaris betoogt dat “noch uit de tekst noch uit de wetsgeschiedenis van artikel 3.16 (…) valt af te leiden dat de vermogensetikettering van het onderliggende huurrecht van de woning bij toepassing van de aftrekbeperking ter zake zou doen.”
huurrechtdoet niet ter zake, want de
woningis geen ondernemingsvermogen, zodat art. 3.16 Wet IB 2001 van toepassing is en aftrek verhindert omdat de werkruimte niet zelfstandig is.
in het algemeenwel ondernemingsvermogen vormen, maar belanghebbendes huurrecht niet. Dan ontbreekt echter een motivering waaróm dat in belanghebbendes geval niet zo is.
woning(de stenen) of om die van het
huurrechten (dus) of deze aftrekbeperking de vermogensetiketteringsregels uitschakelt;
Ondernemingsvermogen? Verhouding tussenwoningenhuurrecht; schakelen de aftrekbeperkingen de vermogensetiketteringsregels uit? (vragen (i) en (ii))
goodwillis ondernemingsvermogen en mijns inziens ook een bedrijfsmiddel, dat echter niet geactiveerd kan worden als hij door de ondernemer zelf is gegenereerd. Ik wijs er ook op dat de Staatssecretaris bij de introductie van de octrooibox (thans innovatiebox: art. 12b Wet Vpb 1969) op daartoe strekkende vragen uit het parlement antwoordde [13] dat ondanks het ineens
expensenvan voortbrengingskosten van immateriële activa (zie art. 3.30(3) Wet IB 2001) – zodat van afschrijfbare activering geen sprake kan zijn – bij dergelijke bezittingen wel degelijk nog steeds sprake is van bedrijfsmiddelen. Dat volgt overigens ook rechtstreeks uit de tekst van art. 3.30 Wet IB 2001.
BNB2005/240 [16] (zie 8.1 hieronder) beschouwde als ondernemingsvermogen een pachtrecht dat niet geactiveerd was. HR
BNB2012/77 [17] beschouwde als keuzevermogen een niet-geactiveerd certificaatrecht dat een onverdeeld aandeel vertegenwoordigde in het vermogen van een vereniging met een erfpachtsrecht ter zake van een atelier.
Het bedrijfsmiddel behoort tot het ondernemingsvermogen) Het goed moet behoren tot het
ondernemingsvermogen. Deze voorwaarde lijkt vanzelfsprekend. Toch is de behandeling van dit vereiste nodig voor gevallen waarin de ondernemer niet de juridische eigendom van het goed bezit, doch alleen (tegen een periodieke vergoeding) het gebruiksrecht, en voor gevallen waarin een tot het privévermogen behorend goed voor de onderneming wordt gebruikt. In die gevallen is geen sprake van een bedrijfsmiddel. Heeft de ondernemer geen zakenrechtelijke maar alleen een verbintenisrechtelijke betrekking tot het goed, dan kan er toch een bedrijfsmiddel zijn, indien er sprake is van
economische eigendom.Daarnaast leiden investeringen in goederen die men in huur of pacht heeft er soms toe dat het huur- of pachtrecht wordt bestempeld als een
economisch goed.
huurrecht(en niet om de
woning, de stenen) gaat, dan komen wij dus wél toe aan vermogensetikettering en moeten de vragen beantwoord worden of het huurrecht in casu keuzevermogen is en welke keuze de belanghebbende dan heeft gemaakt.
woning(de stenen) überhaupt niet tot enig vermogen van de huurder behoort, zodat de beoordeling privé- of ondernemingsvermogen (van de
huurder) – waar de toepassing van art. 3.16 Wet IB 2001 van afhangt – überhaupt niet aan de orde kan zijn ter zake van de stenen. Wil het onderscheid dat art. 3.16 Wet IB 2001 maakt tussen ondernemingsvermogen en niet-ondernemingsvermogen bij huurwoningen een voorwerp hebben, dan kan het alleen gaan om iets dat (wél) tot het vermogen van de huurder/belastingplichtige behoort; daarvoor komt bij een huurwoning alleen het huurrecht in aanmerking. Het gaat volgens de tekst ook om ‘zijn’ vermogen: dat van de belastingplichtige
huurder.
huurrechtal dan niet ‘tot zijn ondernemingsvermogen’ behoort en dat voor beantwoording van die vraag niet ter zake doet of het huurrecht activeerbaar is. Tot dezelfde conclusie kwamen het Hof Amsterdam en de Rechtbanken Arnhem en Noord-Nederland, wier uitspraken ik hieronder weergeef.
huurrechten niet om de
bezitting. Het Hof oordeelde:
7.Het vermogensetiket en de keuze van de belanghebbende
2.1. Ondernemingsvermogen of privévermogen
BNB1953/272 [31] volgt inderdaad dat bij de vraag of een vermogensbestanddeel ondernemingsvermogen is, uitgegaan moet worden van de wil van de belastingplichtige, mits binnen redelijke grenzen, zoals deze in zijn boekhouding of anderszins tot uitdrukking komt. Uit HR
BNB1997/306 [32] volgt inderdaad dat bij de vermogensetikettering van huur- en pachtrechten naar de functie en het feitelijke gebruik van deze vermogensbestanddelen gekeken moet worden. Uit HR
BNB1955/310 [33] blijkt dat bij gesplitst gebruik – zoals in casu - de belastingplichtige binnen de grenzen der redelijkheid mag kiezen. In HR
BNB1955/87 [34] oordeelde u dat bij een zakelijk gebruik van tien procent het gehele pand kon worden toegerekend aan het ondernemingsvermogen. Dat 10%-criterium is vaste rechtspraak geworden. Zo stond Hof Arnhem
V-N2004/35.10 [35] een keuze voor ondernemings-vermogen toe omdat bij aankoop van het pand meer dan 10% ervan bestemd was voor ondernemingsgebruik. U verwierp het cassatieberoep tegen Hof Arnhem 26 juli 2011 [36] met toepassing van art. 81 RO Pro in een zaak waarin het zakelijke gebruik 9.1% beliep en het Hof de belanghebbende in het ongelijk stelde omdat niet voldaan was aan het 10%-criterium. [37] In de zaak HR
BNB1996/410 [38] wees u een keuze voor privévermogen af omdat het desbetreffende pand nagenoeg geheel als kantoor was bestemd en ingericht. HR
BNB1993/276 [39] betrof een volledig als woning gebruikt pand dat desondanks als ondernemingsvermogen mocht worden aangemerkt omdat de bewoning dienstbaar was aan de onderneming.
8.Splitsing?
BNB2005/240 [40] blijkt dat een gebruiksrecht als een pachtrecht gesplitst kan worden in een privédeel en een ondernemingsdeel, ook al kan het pachtcontract civielrechtelijk niet gesplitst worden. De zaak betrof een landbouwondernemer die land, bedrijfsgebouwen en een woning pachtte. Het pachtrecht was kennelijk niet geactiveerd (de belanghebbende betoogde in cassatie: “Normaliter blijkt het aangaan van pacht (sec) niet uit de balans”). Vanaf 1993 bracht hij de betaalde canon volledig ten laste van zijn fiscale winst. Wegens onttrekking voor privé van het gebruik van het woongedeelte telde hij daartegenover jaarlijks de economische huurwaarde bij de winst. In 1997 kocht hij het gepachte, waarbij hij de bedrijfsgebouwen en de akkers als ondernemingsvermogen aanmerkte, maar het woonhuis met ondergrond als privévermogen. De Inspecteur corrigeerde de aangifte met het geschatte pachtersvoordeel behaald op de aankoop van het woongedeelte. Volgens hem was het pachtersvoordeel op het woongedeelte behaald op ondernemingsvermogen, nl. op het pachtrecht, dat in zijn geheel ondernemingsvermogen was omdat luidens art. 1(1)(d) van de Pachtwet geen afzonderlijke zelfstandige pachtovereenkomst kon worden gesloten ter zake van het woonhuis. Subsidiair meende hij dat het pachtrecht fiscaalrechtelijk gesplitst kon worden en dat het woondeel mocht worden gerekend tot het ondernemingsvermogen, en dat de belanghebbende dat ook had gedaan, zodat het voordeel door verkrijging van het woonhuis tegen de waarde in verpachte staat was verkregen uit onderneming. Het Hof Amsterdam oordeelde als volgt:
BNB 1997/306, niet in dat het pachtrecht in gevallen als het onderhavige tot het privé-vermogen hoort voor zover het betrekking heeft op het woongedeelte van een boerderij. Het arrest houdt slechts in dat uitgaven die voor privé-doeleinden zijn gedaan niet ten laste van de winst komen. Zulks is ook het geval als het daarbij gaat om uitgaven die worden gedaan voor het privé-gebruik van een tot het ondernemingsvermogen behorend bedrijfsmiddel.
BNB2005/240:
9.Vertrouwensbeginsel en gelijkwaardigheid van procespartijen
toolop de website van de belastingdienst behoeft dan geen behandeling, maar als u daar wel aan toekomt, dan meen ik dat dat beroep faalt, evenals zijn beroep op het beginsel “dat partijen als gelijke personen voor UW rechterstoel staan.” Algemene voorlichting kan volgens vaste rechtspraak [43] geen rechtens te honoreren vertrouwen in strijd met de wet wekken tenzij de belanghebbende iets heeft gedaan of nagelaten op basis van die informatie dat hem in een nadeliger positie brengt dan zonder het afgaan op die informatie, waarbij het moeten betalen van de wettelijk verschuldigde belasting niet als dispositieschade telt. De belanghebbende heeft geen dispositieschade gesteld. Hij heeft evenmin gesubstantieerd dat aan het beginsel van gelijkheid van procespartijen of aan de vereiste hoor en wederhoor tekort gedaan zou zijn.