Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:1997:AA3187

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 januari 1997
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
31902
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • vice-president Stoffer
  • Zuurmond
  • Fleers
  • Pos
  • Beukenhorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzakenGemeentewet 226 (oud)Gemeentewet 234
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt vernietiging naheffingsaanslag parkeerbelasting Purmerend

Op 23 februari 1994 parkeerde belanghebbende een auto op een locatie waar parkeerbelasting verschuldigd was volgens de Verordening Parkeerbelastingen Purmerend 1993. De gemeente Purmerend legde een naheffingsaanslag op van ƒ 58,--, bestaande uit de belasting en kosten. Na bezwaar handhaafde de gemeente de aanslag, waarna belanghebbende in beroep ging bij het Gerechtshof Amsterdam.

Het Hof vernietigde de naheffingsaanslag en oordeelde dat belanghebbende aannemelijk had gemaakt dat de parkeerbelasting was voldaan. De gemeente stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak. In cassatie oordeelde de Hoge Raad dat het oordeel van het Hof over de feitelijke vaststelling dat de belasting was voldaan niet kan worden getoetst.

De Hoge Raad benadrukte dat de waardering van bewijsmiddelen aan het Hof is voorbehouden en verwierp het beroep van de gemeente. Er werden geen proceskosten aan de zijde van belanghebbende toegewezen. Het arrest werd op 8 januari 1997 uitgesproken door de genoemde raadsheren.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de vernietiging van de naheffingsaanslag parkeerbelasting.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de Chef van de afdeling belastingen en verzekeringen van de gemeente Purerend tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 11 oktober 1995 betreffende na te melden aan X te Z opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting van de gemeente Purmerend.
1. Naheffingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is ter zake van het parkeren op 23 februari 1994 een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting van de gemeente Purmerend opgelegd ten bedrage van ƒ 58,--, bestaande uit ƒ 1,-- aan enkelvoudige belasting en ƒ 57,-- aan kosten terzake van het opleggen van die aanslag. De aanslag is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van Chef van de afdeling belastingen en verzekeringen van de gemeente Purmerend gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van de Chef in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak en de naheffingsaanslag vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie De Chef heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van het middel 3.1. In cassatie kan ervan worden uitgegaan dat belanghebbende op 23 februari 1994 een auto heeft geparkeerd op een plaats waar zij ingevolge de Verordening Parkeerbelastingen Purmerend 1993 parkeerbelasting verschuldigd was. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende aannemelijk gemaakt dat zij de in artikel 1, aanhef en onderdeel a van die Verordening bedoelde belasting heeft voldaan. 3.2. De Chef bestrijdt dit oordeel, maar tevergeefs, want het kan als van feitelijke aard in cassatie niet op zijn juistheid worden onderzocht. De klacht dat het Hof onvoldoende waarde heeft gehecht aan het door de Chef overgelegde op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van de parkeercontroleur miskent dat de keuze en waardering van de bewijsmiddelen aan het Hof is voorbehouden.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is op 8 januari 1997 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Zuurmond, Fleers, Pos en Beukenhorst, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Loen, en op die datum in het openbaar uitgesproken.
Van de Chef wordt ter zake van het beroep in cassatie een griffierecht geheven van ƒ 75,-- onder verrekening met het ter zake van de vervanging van de mondelinge uitspraak bij het Hof gestorte bedrag van ƒ 150,--. Het teveel betaalde bedrag van ƒ 75,-- dient door de griffier van de Hoge Raad aan de Chef te worden terugbetaald.