Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:1997:AA3190

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 januari 1997
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
31887
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • vice-president Stoffer
  • raadsheer Urlings
  • raadsheer Zuurmond
  • raadsheer Pos
  • raadsheer Beukenhorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Verordening onroerendgoedbelastingen 1992Art. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzakenGemeentewet 273 (oud)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt feitelijk gebruik woning tijdens verbouwing voor onroerendgoedbelasting

Belanghebbende kocht in 1992 een woning die na oplevering werd verbouwd. De verbouwing was op 1 januari 1993 gereed, maar de woning was toen nog niet gemeubileerd en niet metterwoon betrokken. De gemeente Haarlem legde een aanslag onroerendgoedbelasting op op basis van feitelijk gebruik.

De belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag, maar dit werd door het Hoofd van de afdeling Financiën gehandhaafd. Het Gerechtshof vernietigde de aanslag en de uitspraak van het Hoofd. De gemeente stelde daarop beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad stelde vast dat de vraag centraal stond of de woning op 1 januari 1993 feitelijk werd gebruikt in de zin van de Verordening onroerendgoedbelastingen 1992. De Hoge Raad oordeelde dat ook tijdens verbouwing met het oog op bewoning sprake is van feitelijk gebruik door de koper. Daarmee was het oordeel van het Hof onjuist en werd het beroep van de gemeente gegrond verklaard.

De Hoge Raad vernietigde het arrest van het Hof, bevestigde de uitspraak van het Hoofd en bepaalde dat de gemeente een bedrag van ƒ 150,-- terugbetaald krijgt. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de woning tijdens verbouwing op 1 januari 1993 feitelijk werd gebruikt, vernietigt het arrest van het Hof en bevestigt de aanslag van het Hoofd.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van Burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 5 september 1995 betreffende na te melden aan X te Z voor het jaar 1993 opgelegde aanslag in de onroerendgoedbelastingen van de gemeente Haarlem.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1993 wegens het feitelijk gebruik van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als a-straat 1, een aanslag in de onroerendgoedbelastingen van de gemeente Haarlem opgelegd naar een heffingsgrondslag van f 99.000, --, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van het Hoofd van de afdeling Financiën (hierna: het Hoofd) is gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van het Hoofd in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak alsmede de aanslag vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie Burgemeester en wethouders hebben tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Belanghebbende heeft een vertoogschrift ingediend.
3. Beoordeling van het middel 3.1 In cassatie moet van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende heeft in 1992 een woning gekocht die hij na oplevering is gaan verbouwen. De verbouwing is na 1 januari 1993 gereedgekomen. De woning was op 1 januari 1993 nog niet gemeubileerd en belanghebbende had haar op die datum nog niet metterwoon betrokken. 3.2 In cassatie gaat het om de vraag of belanghebbende de woning op 1 januari 1993 feitelijk gebruikte in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening onroerendgoedbelastingen 1992. 3.3 In 's Hofs uitspraak ligt besloten dat zich hier voordoet het geval dat de koper van een bestaande, bruikbare woning deze met het oog op bewoning door hemzelf verbouwt om haar beter aan zijn persoonlijke wensen te laten beantwoorden. Anders dan het Hof heeft geoordeeld is dan voor de koper met betrekking tot de woning ook tijdens de verbouwing daarvan sprake van feitelijk gebruik in de zin van voormelde bepaling. 3.4 Uit het vorenoverwogene volgt dat de in 3.2 vermelde vraag bevestigend moet worden beantwoord. Het middel is gegrond. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belasingzaken.
5. Beslissing De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, bevestigt de uitspraak van het Hoofd, en bepaalt dat door de Griffier van de Hoge Raad aan de gemeente Haarlem wordt terugbetaald het ter zake van de vervanging van de mondelinge uitspraak bij het Hof gestorte bedrag van ƒ 150,--.
Dit arrest is op 8 januari 1997 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Urlings, Zuurmond, Pos en Beukenhorst, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Barendse en op die datum in het openbaar uitgesproken.