ECLI:NL:HR:1997:AA3197
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Stoffer
- raadsheer Urlings
- raadsheer Zuurmond
- raadsheer Fleers
- raadsheer Beukenhorst
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt geen onttrekking aan vermogen erflater bij wijziging huwelijksgoederenregime
Belanghebbende en haar overleden echtgenoot waren aanvankelijk gehuwd onder uitsluiting van gemeenschap van goederen, maar wijzigden dit regime op 16 januari 1989 in algehele gemeenschap van goederen. De erflater overleed op 19 mei 1989, waarna belanghebbende uitkeringen ontving uit levensverzekeringen waarvan de premies vóór de wijziging door haar waren betaald. De vraag was of deze uitkeringen als onttrekking aan het vermogen van de erflater moesten worden beschouwd in de zin van artikel 13 van Pro de Successiewet 1956.
Het hof oordeelde dat geen sprake was van onttrekking aan het vermogen van de erflater, omdat er geen verrekening plaatsvond alsof de algehele gemeenschap van goederen vanaf het begin van het huwelijk bestond. De Staatssecretaris stelde in cassatie dat het arrest van 27 juni 1990 een materieel-economische benadering voorschrijft, waarbij premies mede ten laste van de erflater zouden komen.
De Hoge Raad verwierp dit betoog en bevestigde het oordeel van het hof. De premies die vóór de wijziging van het huwelijksgoederenregime waren betaald, zijn niet rechtens ten laste van de gemeenschap gekomen. De Hoge Raad benadrukte dat het arrest van 1990 betrekking had op een wederkerige verrekeningsverplichting, wat in deze zaak niet aan de orde was. Het beroep van de Staatssecretaris werd verworpen en hij werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën wordt verworpen en het oordeel van het hof bevestigd dat geen onttrekking aan het vermogen van de erflater heeft plaatsgevonden.