ECLI:NL:HR:1997:AA3203
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Stoffer
- raadsheer Urlings
- raadsheer Zuurmond
- raadsheer Fleers
- raadsheer Pos
- Rechtspraak.nl
Vermogensbegrip bij aftrek buitengewone lasten in inkomstenbelasting na echtscheiding
Belanghebbende kreeg voor het jaar 1992 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd op basis van een belastbaar inkomen van ƒ 89.011, die na bezwaar werd gehandhaafd. Het Gerechtshof Amsterdam vernietigde deze uitspraak en stelde het belastbaar inkomen vast op ƒ 80.511.
De zaak betreft de vraag of de bijdrage die belanghebbende aan zijn dochter verstrekte als aftrekbare buitengewone last kan worden aangemerkt, waarbij het hof oordeelde dat het negatieve vermogen van de dochter (rekening houdend met een lagere waarde van de eigen woning) geen belemmering vormde voor aftrek.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof een onjuiste opvatting hanteerde over het begrip eigen vermogen van de ondersteunde. Niet de fiscale vermogenswaarde is beslissend, maar het vermogen dat de ondersteunde redelijkerwijs kan benutten voor levensonderhoud, waarbij de waarde van de eigen woning in vrij opleverbare staat in aanmerking moet worden genomen.
De zaak wordt vernietigd en verwezen naar het hof te 's-Gravenhage voor nadere beoordeling, waarbij onder meer moet worden onderzocht in hoeverre belanghebbende zich redelijkerwijs gedrongen kon voelen om aantasting van het vermogen van zijn dochter te voorkomen, met inachtneming van normen uit de Algemene Bijstandswet.
De Hoge Raad wijst proceskosten af en bevestigt hiermee het belang van een juiste interpretatie van het vermogensbegrip bij aftrek van buitengewone lasten.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak voor nadere beoordeling naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage.