ECLI:NL:HR:1997:AA3238

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 februari 1997
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
32000
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • vice-president Stoffer
  • Urlings
  • Fleers
  • Pos
  • Beukenhorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 1 letter h Wet op de loonbelasting 1964Art. 33 lid 1 Wet op de inkomstenbelasting 1964Art. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling belastingheffing op commissarisbeloning via management-BV

Belanghebbende, werkzaam bij een bank en tevens commissaris bij een verzekeringsmaatschappij, ontving in 1989 een bedrag van ƒ 9.333,34 voor zijn commissariaat. Dit bedrag werd betaald aan zijn management-BV, waarin hij zijn adviserende activiteiten uitoefende. De Inspecteur handhaafde de aanslag inkomstenbelasting over dit bedrag, en het Gerechtshof bevestigde deze beslissing.

Belanghebbende stelde in cassatie dat de betaling aan de management-BV niet als loon aan hemzelf kon worden beschouwd. De Hoge Raad oordeelde echter dat het commissariaat een dienstbetrekking vormt op grond van artikel 3 lid 1 letter Pro h van de Wet op de loonbelasting 1964, en dat de beloning als loon uit dienstbetrekking moet worden belast, ook wanneer deze via de management-BV is ontvangen.

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de aanslag terecht was opgelegd. Er werden geen proceskosten aan belanghebbende opgelegd. Hiermee is de belastingheffing op de commissarisbeloning definitief vastgesteld.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de commissarisbeloning als loon uit dienstbetrekking belast moet worden.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 4 december 1995 betreffende de hem voor het jaar 1989 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1989 een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 939.013,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend.
3. Beoordeling van de middelen 3.1. Belanghebbende, tot 1 juli 1989 in dienstbetrekking werkzaam bij een bank, was in genoemd jaar commissaris bij onder meer een verzekeringsmaatschappij. Ter zake van de vervulling van dat commissariaat, dat geen rechtstreeks verband hield met zijn dienstbetrekking bij de bank, heeft de betreffende maatschappij in 1989 een bedrag van ƒ 9.333,34 voldaan. Dat bedrag vloeide toe aan de, toen nog in oprichting zijnde, management-BV van belanghebbende, waarin deze onder meer zijn activiteiten als adviseur uitoefende op grond van een tussen haar en belanghebbende gesloten overeenkomst. Het Hof heeft geoordeeld dat het bedrag van ƒ 9.333,34 tot het belastbare inkomen van belanghebbende dient te worden gerekend. Hiertegen richten zich de beide middelen. 3.2. Uit de uitspraak van het Hof en de stukken van het geding blijkt niet dat door belanghebbende feiten zijn gesteld die tot de gevolgtrekking zouden moeten leiden dat zich hier niet voordoet het, normale, geval van iemand die louter op grond van zijn persoonlijke kwaliteiten tot commissaris is benoemd. Dit brengt mee dat de betaling van de onderhavige commissarisbeloning haar grond vindt in de ingevolge artikel 3, lid 1, letter h, van de Wet op de loonbelasting 1964 als dienstbetrekking te beschouwen rechtsverhouding die bestaat tussen de in 3.1 bedoelde verzekeringsmaatschappij en belanghebbende zelf. De als loon uit dienstbetrekking te beschouwen commissarisbeloning is derhalve aan te merken als door belanghebbende te zijn genoten in de zin van artikel 33, lid 1, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, ook voor zover de betaling ingevolge de onder 3.1 vermelde overeenkomst tussen belanghebbende en zijn management-BV aan de BV heeft plaatsgevonden. 3.3. Uit het onder 3.2 overwogene volgt dat de aangevallen beslissing juist is, zodat de daartegen gerichte middelen niet tot cassatie kunnen leiden.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is op 19 februari 1997 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Urlings, Fleers, Pos en Beukenhorst, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Reijn- goud, en op die datum in het openbaar uitgesproken.