ECLI:NL:HR:1997:AA3249
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Van der Linde
- Bellaart
- Van der Putt-Lauwers
- Van Brunschot
- Rechtspraak.nl
Toepassing van artikel 40a Wet inkomstenbelasting bij aandelenruil na echtscheiding
De zaak betreft een cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën tegen een uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage die toepassing van artikel 40a van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 toestond op een aandelenruil na echtscheiding.
Belanghebbende, een B.V., verzocht om toepassing van artikel 40a Wet IB 1964 op een voorgenomen aandelenruil waarbij de aandelen in de huwelijksgemeenschap werden verdeeld tussen de ex-echtgenoten, waarna de vrouw haar aandelen aan een door de man opgerichte vennootschap verkocht en de man vervolgens zijn aandelen ruilde tegen aandelen in die vennootschap. De Inspecteur wees dit verzoek af, stellende dat geen sprake was van een reële bedrijfsopvolging maar van een familierechtelijke holdingconstructie.
Het Hof vernietigde de afwijzing en oordeelde dat de aandelenruil voldeed aan de voorwaarden van artikel 40a Wet IB 1964 en niet in strijd was met de doel en strekking van de wet. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatieberoep, waarbij werd benadrukt dat het begrip 'bedrijfsopvolging' in artikel 40a niet beperkt is tot actieve ondernemers en dat mede-eigendom van aandelen binnen een huwelijksgemeenschap ook als aandeelhouderschap geldt.
De Hoge Raad veroordeelde de Staatssecretaris tevens in de proceskosten en bevestigde dat de regeling van artikel 40a Wet IB 1964 ook toepassing kan vinden bij aandelenruil in het kader van echtscheiding, mits aan de formele voorwaarden wordt voldaan.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën wordt verworpen en toepassing van artikel 40a Wet IB 1964 op de aandelenruil na echtscheiding bevestigd.