ECLI:NL:PHR:1997:AA3249
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toepassing van artikel 40a Wet IB 1964 op aandelenruil bij echtscheiding via familierechtelijke holdingconstructie
De zaak betreft de vraag of de fiscale faciliteit van artikel 40a Wet IB 1964, die een opschorting van heffing biedt bij aandelenruil in het kader van bedrijfsopvolging, ook toegepast kan worden bij een aandelenruil tussen ex-echtgenoten na echtscheiding. Hierbij gaat het om een zogenaamde familierechtelijke holdingconstructie waarbij de ene ex-echtgenoot via een opgerichte houdstermaatschappij de aandelen van de andere ex-echtgenoot overneemt.
De feiten betreffen de aandelenverdeling van X B.V. tussen de ex-echtgenoten D en E, die in algehele gemeenschap van goederen waren gehuwd en in 1993 zijn gescheiden. De aandelen worden verdeeld en vervolgens verkoopt E haar aandelen aan een door D opgerichte vennootschap, waarna D zijn aandelen ruilt tegen aandelen in die vennootschap.
De inspecteur wees toepassing van artikel 40a Wet IB 1964 af, maar het Hof te 's-Gravenhage vernietigde deze beslissing en oordeelde dat de faciliteit wel van toepassing is. De staatssecretaris stelde cassatieberoep in, stellende dat de regeling niet van toepassing is omdat de vrouw slechts een vorderingsrecht had en niet als aandeelhouder kan worden beschouwd.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat artikel 40a Wet IB 1964 ook geldt in situaties waarbij aandelen op grond van huwelijksgoederenrecht toebehoren aan de andere echtgenoot, mits aan de voorwaarden van een substantieel belang en definitieve vervreemding wordt voldaan. De regeling is niet beperkt tot reële bedrijfsopvolgingen en vereist niet dat de verkoper deel uitmaakt van het bestuur of actief betrokken is bij de vennootschap.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de staatssecretaris wordt verworpen en artikel 40a Wet IB 1964 is van toepassing op de aandelenruil tussen ex-echtgenoten via een houdstermaatschappij.