ECLI:NL:HR:1997:AA3268

Hoge Raad

Datum uitspraak
24 september 1997
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
32469
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • vice-president Stoffer
  • raadsheer Urlings
  • raadsheer Fleers
  • raadsheer Pos
  • raadsheer Beukenhorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 47 lid 1 Wet op de inkomstenbelasting 1964Art. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
Verwijzingen
3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen aftrek giften aan stichting ter ondersteuning scoutinggroep wegens ontbreken algemeen belang

Belanghebbende had voor het jaar 1993 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen ontvangen op basis van een belastbaar inkomen van ƒ 74.878,--. Hij bracht in zijn aangifte een bedrag van ƒ 1.009,-- in mindering als aftrekbare giften voor kosten die hij en zijn echtgenote maakten ten behoeve van een stichting die de materiële en financiële belangen van een scoutinggroep behartigt. De Inspecteur wees deze aftrek af, hetgeen door belanghebbende werd aangevochten bij het Hof, dat de aanslag bevestigde.

In cassatie stond centraal of de kosten aftrekbaar waren als giften aan een algemeen nut beogende instelling zoals bedoeld in artikel 47 van Pro de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Het Hof oordeelde dat de stichting en de scoutinggroep tezamen als instelling moeten worden aangemerkt, maar dat het doel en de feitelijke werkzaamheden primair niet het algemene belang dienden, maar de particuliere belangen van de juniorleden. Dit oordeel werd in cassatie niet bestreden.

De Hoge Raad bevestigde dat het bevorderen van de persoonlijke vorming en vrijetijdsbesteding van een beperkte groep jeugd niet gelijkgesteld kan worden met het dienen van het algemene belang. De primaire doelstelling van de instelling is beslissend, en het hof had dit juist vastgesteld. Het beroep werd verworpen, en de Staatssecretaris werd gelast het griffierecht te vergoeden.

Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan op 24 september 1997 door de Hoge Raad, waarbij de vice-president Stoffer en vier raadsheren het arrest vaststelden.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt verworpen en de aftrek van de giften wordt niet toegestaan.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 3 juli 1996 betreffende de hem voor het jaar 1993 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1993 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 74.878,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak bevestigd. De uit spraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daar van deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend.
3. Beoordeling van het middel 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende en zijn echtgenote zijn beiden actief binnen een plaatselijke Scoutinggroep (hierna: de Groep), welke groep een organisatorische eenheid vormt binnen de Vereniging Scouting Neder land. Ter ondersteuning van de Groep is een stichting opgericht (hierna: de Stichting), die zich voornamelijk bezighoudt met de behartiging van de materiële en financiële belangen van de Groep. Belanghebbende heeft in zijn aangifte over het onderhavige jaar, 1993, een bedrag van ƒ 1.009,-- als aftrekbare giften in mindering op zijn inkomen ge bracht ter zake van door hem en zijn echtgenote ten behoeve van de Stichting gemaakte kosten welke zij niet hebben gedeclareerd. De Inspecteur heeft aftrek hiervan niet toegestaan. 3.2. Voor het Hof was in geschil of de zojuist genoemde kosten aftrekbaar zijn als giften aan een het algemeen nut beogende instelling als bedoeld in artikel 47, lid 1, aanhef en onderdeel a, onder 1° van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet). 3.3. Het Hof heeft, in cassatie niet bestreden, geoordeeld dat de giften zijn gedaan aan de Stichting, niet aan de Groep, dat het doel en de feitelijke werkzaamheden van de Stichting niet gericht zijn op het algemene belang en dat de Groep en de Stichting tezamen als een instelling in de zin van artikel 47 van Pro de Wet moeten worden aangemerkt. De onder delen B en C van het middel - onderdeel A bevat alleen een inleiding - bestrijden het oordeel van het Hof dat het doel en de feitelijke werkzaamheden van de Groep niet (primair) het algemene belang dienen.
3.4. Naar het Hof in cassatie niet bestreden heeft vastgesteld, blijkt de doelstelling van de Groep uit de statuten van de Vereniging Scouting Nederland. Zij luidt :"het bevorderen van het spel van verkennen in Nederland op de grondslag van de ideeën van Lord Baden Powell om daarmee een plezierige beleving van de vrije tijd te bieden aan meisjes en jongens waardoor een bijdrage wordt geleverd aan de vorming van de persoonlijkheid". Het Hof heeft geoordeeld dat met die doelstelling, ook al brengt die mee dat mede het algemeen nut wordt gediend, primair de particuliere belangen van de juniorleden van de Groep worden gediend omdat het eerst en vooral om hun persoonlijke vorming en hun vrijetijdsbesteding gaat. Tegen dit oordeel richt zich onderdeel B. 3.5. Voorzover de subonderdelen B.2 en B.3 berusten op de redenering dat bevordering van de peroonlijkheidsvorming en van een zinvolle vrijetijdsbesteding van het uit de leden van de Groep bestaande deel van de Nederlandse jeugd past binnen het algemene belang van de bevordering van een en ander bij de gehele Nederlandse jeugd, falen zij. Uiteraard brengt bevordering van het welzijn van een beperkte groep mee dat het welzijn van de bevolking als geheel ge zien kan toenemen, maar daaruit volgt niet dat op welzijnsbevordering van die groep gerichte activiteiten geacht kunnen worden het algemene belang te die en. Beslissend is immers, naar het Hof met juistheid tot uitgangspunt heeft genomen, wat de primaire doel stelling van de instelling is. 3.6. Ook voor het overige geeft het hier bedoel de oordeel van het Hof niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan het, als verweven met waarde ringen van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk, in cassatie niet met vrucht worden bestreden. Het behoefde ook geen nadere motivering. Onderdeel B faalt derhalve ook voor het overige. 3.7. Onderdeel C, dat de feitelijke werkzaamheden van de Groep betreft, moet het lot van onderdeel B delen nu het uitsluitend berust op het betoog dat die werkzaamheden voor het overgrote deel zijn ge richt op de hiervoor besproken doelstelling van de Groep in verbinding met de hiervoor onjuist bevonden stelling dat die doelstelling primair het dienen van het algemene belang is. 3.8. In de omstandigheid dat het hier een in overleg met het Ministerie van Financiën gevoerde proefprocedure betreft, vindt de Hoge Raad aanleiding de Staatssecretaris te gelasten het door belangheb bende ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie gestorte griffierecht te vergoeden.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep en gelast de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende te vergoeden het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie gestorte griffierecht ten bedrage van ƒ 300,--.
Dit arrest is op 24 september 1997 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Urlings, Fleers, Pos en Beukenhorst, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Barendse, en op die datum in het openbaar uitgesproken.