ECLI:NL:HR:1997:AA3344

Hoge Raad

Datum uitspraak
17 december 1997
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
32538
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • vice-president Stoffer
  • raadsheer Fleers
  • raadsheer Pos
  • raadsheer Beukenhorst
  • raadsheer Monné
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26 Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke rechtenArt. 7 Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 1990Art. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
Verwijzingen
1 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing forfaitaire afschrijving op niet-ondernemingswinkelpand

Belanghebbende was het niet eens met de aanslag inkomstenbelasting/premievolksverzekeringen over 1992, waarbij geen afschrijving werd toegestaan op een winkelpand dat zijn echtgenote in 1974 uit een nalatenschap had verkregen.

De afschrijving was berekend op basis van de actuele waarde van het pand, dat niet tot het ondernemingsvermogen behoorde. De Inspecteur wees de afschrijving af, hetgeen door het Hof werd bevestigd.

In cassatie voerde belanghebbende aan dat op grond van artikel 26 van Pro het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke rechten de forfaitaire afschrijvingsregeling van artikel 7 van Pro de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 1990 ook op winkelpanden met een levensduur van ten minste 40 jaar zou moeten worden toegepast.

De Hoge Raad verwierp dit betoog omdat de forfaitaire regeling specifiek is bedoeld voor woningen in de privé-sfeer en niet voor winkelpanden, en dat het ontbreken van een dergelijke regeling voor winkelpanden geen verboden discriminatie oplevert.

De Hoge Raad wees het beroep af en veroordeelde belanghebbende niet in de proceskosten.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de forfaitaire afschrijvingsregeling niet van toepassing is op niet-ondernemingswinkelpanden.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 28 juni 1996 betreffende de hem voor het jaar 1992 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premievolksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1992 een aanslag inkomstenbelasting/premievolksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van f. 99.598,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend.
3. Beoordeling van de klachten 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. De echtgenote van belanghebbende heeft in het jaar 1974 uit een nalatenschap een verhuurd winkelpand verkregen, dat voor de heffing van het successierecht werd gewaardeerd op f. 170.000,--. Belanghebbende heeft de afschrijvingskosten jaarlijks berekend op een percentage van de actuele waarde van het, niet tot een ondernemingsvermogen behorende, pand. Tussen partijen is niet in geschil dat in de periode 1974 tot en met 1991 ten minste f. 139.960,-- is afgeschreven op het pand. Belanghebbende heeft voor het jaar 1992 de afschrijving gesteld op f. 19.250,--; de Inspecteur heeft geen afschrijving toegestaan. 3.2. Belanghebbende herhaalt in cassatie zijn voor het Hof gehouden betoog dat artikel 26 van Pro het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke rechten meebrengt dat de forfaitaire afschrijvingsregeling van artikel 7 van Pro de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 1990, hoewel deze volgens de tekst slechts geldt voor niet tot het vermogen van een onderneming behorende woonhuizen met een te verwachten levensduur van ten minste 40 jaren, mede toepassing dient te vinden op niet tot het vermogen van een onderneming behorende winkelpanden met een dergelijke te verwachten levensduur. Dit betoog faalt. Genoemde bepaling voorkomt dat bij tot de privé-sfeer behorende woningen met een te verwachten levensduur van ten minste 40 jaar na iedere eigenaarswisseling de restwaarde en de afschrijvingsduur (en eventueel het afschrijvingssysteem) opnieuw zouden moeten worden bepaald, zoals dat dient te geschieden bij winkelpanden als het onderhavige. Daar de hierbedoelde woningen de tot de privé-sfeer behorende onroerende zaken waarvoor de forfaitaire afschrijving niet geldt, in aantal verre overtreffen, wordt met de forfaitaire afschrijvingsregeling een belangrijke vereenvoudiging bereikt. Daarbij komt dat die regeling leidt tot een zodanige afschrijvingsduur dat niet op voorhand kan worden gezegd dat eigenaren van de hierbedoelde woningen worden bevoordeeld boven eigenaren van tot de privé- sfeer behorende onroerende zaken waarvoor de forfaitaire afschrijving niet geldt. Het ontbreken van een forfaitaire regeling als de onderhavige voor de laatstbedoelde categorie onroerende zaken leidt derhalve niet tot een verboden discriminatie.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Dit arrest is op 17 december 1997 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Fleers, Pos, Beukenhorst en Monné, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Barendse, en op die datum in het openbaar uitgesproken.