Uitspraak
4 november 1997.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage waarin de verdachte werd veroordeeld voor meermalen gepleegde valsheid in geschrift. Het geschil richt zich op de geldigheid van de betekening van de dagvaarding in hoger beroep, waarbij de dagvaarding niet persoonlijk kon worden uitgereikt op het GBA-adres van de verdachte, maar wel een bericht van aankomst werd achtergelaten en het stuk later aan de griffier werd uitgereikt.
De Hoge Raad overweegt dat uit het uittreksel van de basisadministratie persoonsgegevens (GBA) blijkt dat de verdachte ten tijde van de aanbieding van de dagvaarding en ten minste vijf dagen daarna op het adres stond ingeschreven. Dit is beslissend voor de geldigheid van de betekening, ook al woonde de verdachte mogelijk niet meer op dat adres bij uitreiking aan de griffier. De Hoge Raad stelt dat de verdachte na ontvangst van het bericht van aankomst verantwoordelijk is voor het treffen van maatregelen om mededelingen alsnog te ontvangen.
Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat het hof niet hoefde te onderzoeken of aan de raadsvrouw de datum van de terechtzitting in hoger beroep was medegedeeld, omdat uit de stukken niet blijkt dat zij zich als raadsvrouw in hoger beroep heeft gesteld.
Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof bevestigd.