ECLI:NL:PHR:2021:837

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
22 juni 2021
Publicatiedatum
17 september 2021
Zaaknummer
19/03017
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 416, tweede lid, SvArt. 2.1 Wet dierenArt. 588, derde lid, aanhef en onder c, SvArt. 378, tweede lid, SvArt. 378a, vijfde lid, Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens ongeldige betekening dagvaarding

De verdachte werd door het hof niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter. Het hof baseerde dit op artikel 416, tweede lid, Sv, omdat het meende dat de dagvaarding rechtsgeldig was betekend. De verdachte was echter niet verschenen en had geen bewaren kunnen opgeven tegen het vonnis.

Uit de gedingstukken bleek dat de dagvaarding pas op de dag van de terechtzitting om 14.24 uur aan de griffier was uitgereikt, terwijl de zitting om 9.00 uur begon. De dagvaarding was niet persoonlijk aan de verdachte betekend, ondanks dat hij op het adres stond ingeschreven. Hierdoor was de betekening niet tijdig en dus niet rechtsgeldig.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof onjuist heeft geoordeeld dat de dagvaarding rechtsgeldig was betekend. De betekening is nietig verklaard. Er zijn geen andere gronden voor vernietiging van de bestreden uitspraak. De zaak heeft betrekking op een veroordeling wegens het benadelen van het welzijn van runderen volgens de Wet dieren.

De procedure toont het belang van correcte betekening van dagvaardingen in hoger beroep en bevestigt dat een niet-tijdige betekening leidt tot niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep. De zaak is van belang voor de waarborg van het recht op een eerlijk proces en het beginsel van hoor en wederhoor.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de betekening van de dagvaarding in hoger beroep nietig en vernietigt het oordeel van het hof over de rechtsgeldige dagvaarding.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer19/03017 E
Zitting22 juni 2021 (bij vervroeging)

CONCLUSIE

B.F. Keulen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1954,
hierna: de verdachte.
1. De verdachte is bij arrest van 3 juni 2019 door de economische kamer van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 10 juli 2018. [1]
2. Er bestaat samenhang met zaak 19/03015. [2] In deze zaak heb ik eerder geconcludeerd.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
4. Het middel klaagt dat het hof geen toepassing had mogen geven aan het bepaalde in art. 416, tweede lid, Sv omdat de dagvaarding voor de zitting in hoger beroep niet op een juiste wijze is betekend, waardoor de verdachte – zonder dat haar daarvan een verwijt kan worden gemaakt – bij aanvang van de zitting van het hof geen bewaren heeft kunnen opgeven tegen het vonnis van de rechtbank. In de schriftuur wordt gesteld dat de dagvaarding de verdachte niet voorafgaand aan de behandeling van de zaak heeft bereikt en dat zij niet op de hoogte was van het feit dat de zaak op 3 juni 2019 door het hof zou worden behandeld.
5. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 3 juni 2019 houdt onder meer het volgende in:
‘De verdachte genaamd:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1954,
wonende te [plaats] , [a-straat 1] ,
is niet verschenen.
De
voorzitterdeelt mee dat verdachte op correcte wijze is gedagvaard voor de zitting van vandaag.
Op vordering van de advocaat-generaal verleent het hof verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan.
De
voorzitterbeveelt dat deze zaak gelijktijdig wordt behandeld met de zaak van de verdachte onder parketnummer 21-003971-18, zonder deze zaken te voegen.
De
advocaat-generaaldraagt de zaak voor. Hij voert aansluitend het woord, leest de vordering voor, strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van verdachte in het door haar ingestelde hoger beroep met toepassing van het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, en legt die aan het hof over.
De
voorzitterverklaart het onderzoek gesloten en deelt mee de beslissing van het hof, zakelijk weergegeven:
Het hof verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in haar hoger beroep op grond van artikel 416, lid 2 van het Wetboek van Strafvordering.’
6. Bij de gedingstukken bevindt zich het dubbel van de appeldagvaarding van de verdachte om te verschijnen op de terechtzitting van 3 juni 2019 te 9.00 uur. Voorts bevindt zich bij de gedingstukken een akte van uitreiking die inhoudt dat die dagvaarding op 9 april 2019 is aangeboden op het adres [a-straat 1] te [plaats] , maar dat deze niet is uitgereikt omdat volgens mededeling van degene die zich op dat adres bevond de geadresseerde daar niet woont noch verblijft. De akte houdt verder in dat de dagvaarding op 3 juni 2019 te 14.24 uur is uitgereikt aan de griffier van de Rechtbank Noord-Nederland omdat ‘de geadresseerde, blijkens de aan deze akte gehechte mededeling van de afdeling bevolking van diens woongemeente, op de dag van aanbieding van de gerechtelijke brief en tenminste vijf dagen nadien als ingezetene in de basisadministratie persoonsgegevens op het op deze akte vermelde adres was ingeschreven’ en dat op 3 juni 2019 een afschrift van de dagvaarding is verzonden aan het hiervoor genoemde adres.
7. Voorts houdt een zich bij de gedingstukken bevindende bevraging van de basisregistratie personen (BRP) van 30 oktober 2020 in dat de verdachte vanaf 1 januari 2018 [3] in de BRP staat ingeschreven op het adres [a-straat 1] te [plaats] . [4]
8. Mede gelet op het bepaalde in art. 588, derde lid, aanhef en onder c (oud) [5] , Sv is het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel dat de appeldagvaarding geldig is betekend niet begrijpelijk. De appeldagvaarding houdt immers in dat de behandeling van de zaak plaatsvindt op 3 juni 2019 te 9.00 uur, terwijl de akte van uitreiking inhoudt dat die dagvaarding op de dag van de terechtzitting om 14.24 uur is uitgereikt aan de griffier van de rechtbank. Daaruit volgt tevens dat het hof geen toepassing had mogen geven aan het bepaalde in art. 416, tweede lid, Sv.
9. Het middel slaagt.
10. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
11. Deze conclusie strekt tot nietigverklaring van de betekening van de dagvaarding in hoger beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

1.Het arrest vermeldt niet dat het is gewezen door de economische kamer van het gerechtshof, dat blijkt echter wel uit het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting. In het op de voet van art. 378, tweede lid, Sv in het proces-verbaal van de terechtzitting aangetekende mondeling vonnis ontbreken de kwalificatie van het bewezenverklaarde, de toegepaste wettelijke voorschriften en de beslissing omtrent de strafbaarheid van de verdachte (zie art. 1 van Pro - kort gezegd - de Regeling aantekening mondeling vonnis,
2.In deze zaak is reeds uitspraak gedaan, zie HR 17 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1809.
3.De BRP-bevraging vermeldt het desbetreffende adres voorts als historische verblijfplaats vanaf 26 januari 1985 en vanaf 13 september 1994. Dit alles volgt tevens uit de zich in het dossier bevindende Informatiestaat SDKB-persoon ten name van de verdachte van 15 mei 2019.
4.Vgl. in dit verband HR 4 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0847,
5.Zie met ingang van 1 januari 2020 art. 36e Sv.