ECLI:NL:HR:1998:AA2273

Hoge Raad

Datum uitspraak
23 december 1998
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
32754
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • R.J.J. Jansen
  • Bellaart
  • Van Brunschot
  • Van Vliet
  • Van Amersfoort
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30h Algemene wet inzake rijksbelastingenArt. 16 Algemene wet inzake rijksbelastingen
Verwijzingen
2 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak Hof inzake heffingsrente bij navorderingsaanslag inkomstenbelasting

Belanghebbende was voor het jaar 1990 aanvankelijk aangeslagen op een belastbaar inkomen van f 403.393, waarvan een deel belast werd tegen een bijzonder tarief van 20%. Later werd een navorderingsaanslag opgelegd met toepassing van een hoger bijzonder tarief van 45% op hetzelfde deel van het inkomen. Tegelijkertijd werd een beschikking heffingsrente opgelegd.

Belanghebbende maakte bezwaar tegen de navorderingsaanslag en de heffingsrente, maar dit werd door de Inspecteur en het Hof bevestigd. Vervolgens stelde belanghebbende beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad oordeelt dat het Hof terecht heeft geoordeeld dat belanghebbende de vergissing in de primitieve aanslag kende, mede door de betrokkenheid van zijn belastingadviseur. Dit oordeel is feitelijk en wordt in cassatie niet getoetst. Wel stelt de Hoge Raad vast dat de navorderingsaanslag niet in afwijking van de aangifte is vastgesteld, zodat het in rekening brengen van heffingsrente onjuist is.

Daarom vernietigt de Hoge Raad het oordeel van het Hof en de Inspecteur voor zover het de heffingsrente betreft. Tevens wordt bepaald dat de Staatssecretaris van Financiën het in cassatie betaalde griffierecht aan belanghebbende moet vergoeden.

De Hoge Raad acht geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en benadrukt dat kosten voor fiscale tijdschriften niet als proceskosten worden vergoed.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het oordeel over de heffingsrente en bepaalt dat deze niet geheven kan worden bij een navorderingsaanslag die niet afwijkt van de aangifte.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 6 november 1996 betreffende na te melden navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en beschikking inzake heffingsrente.
1. Navorderingsaanslag, beschikking, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende, die aanvankelijk in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1990 was aangeslagen naar een belastbaar inkomen van f 403.393,--, waarvan een gedeelte groot f 354.702,-- belast naar een bijzonder tarief van 20 percent, met een te vergoeden heffingsrente van f 8.664,--, is over dat jaar een navorderingsaanslag opgelegd naar genoemd belastbaar inkomen, met toepassing van het bijzondere tarief van 45 percent op voormeld bedrag van f 354.702,-- . Bij tezelfdertijd gegeven beschikking is een bedrag van f 15.383,-- aan heffingsrente in rekening gebracht, welk bedrag op het aanslagbiljet is vermeld. De navorderingsaanslag en de beschikking inzake heffingsrente zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep ten dele bestreden. De Plaatsvervangend Procureur-Generaal Van Soest heeft op 29 januari 1998 geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en van de uitspraak van de Inspecteur en tot vermindering van de navorderingsaanslag met het bedrag van de in rekening gebrachte heffingsrente, voorzover zij f 8.664,-- overtreft.
3. Beoordeling van het middel van cassatie 3.1. Het Hof heeft niet aannemelijk geacht dat belanghebbende, die stelt niet over fiscale kennis te beschikken, de beoordeling van de primitieve aanslag, die sterk afweek van de voorlopige aanslagen, niet mede deed in samenspraak met zijn belastingadviseur, welke laatste toch overigens alle fiscale aangelegenheden van belanghebbende, zijn broer en hun zakelijke activiteiten verzorgde en verzorgt. In dit oordeel ligt besloten dat de bij het opleggen van de primitieve aanslag gemaakte vergissing voor belanghebbende kenbaar was. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan als verweven met waarderingen van feitelijke aard voor het overige in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst. Voorzover het middel tegen dit oordeel opkomt, faalt het derhalve.
3.2. Nu de navorderingsaanslag niet in afwijking van de aangifte is vastgesteld, kan geen heffingsrente in rekening worden gebracht (HR 1 november 1995, nr. 30720, BNB 1996/84). Voorzover het middel tegen 's Hofs beslissing in tegengestelde zin opkomt, is het gegrond. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken. Hierbij wordt mede in aanmerking genomen dat de kosten voor een abonnement op een tijdschrift met fiscale adviezen, anders dan belanghebbende voorstaat, niet voor vergoeding als proceskosten in aanmerking komen.
5. Beslissing De Hoge Raad: vernietigt de uitspraak van het Hof, doch alleen voorzover deze betrekking heeft op de beschikking inzake heffingsrente; vernietigt de uitspraak van de Inspecteur, voorzover daarbij de beschikking inzake heffingsrente is gehandhaafd; vernietigt de beschikking inzake heffingsrente; gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van f 300,--, alsmede het bij het Hof gestorte griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof ten bedrage van f 75,--, derhalve in totaal f 375,--.
Dit arrest is op 23 december 1998 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Bellaart, Van Brunschot, Van Vliet en Van Amersfoort, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.