ECLI:NL:HR:1998:AA2331

Hoge Raad

Datum uitspraak
1 juli 1998
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
33477
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • R.J.J. Jansen
  • De Moor
  • Van der Putt-Lauwers
  • Meij
  • Van Vliet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968Algemene wet inzake rijksbelastingenBesluit uitsluiting aftrek omzetbelasting 1968Wet op de omzetbelasting 1968
Verwijzingen
2 uitgaand · 5 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt correctie omzetbelasting bij privégebruik leaseauto's zonder sluitende kilometeradministratie

Belanghebbende, bestaande uit meerdere vennootschappen binnen een fiscale eenheid, stelde leaseauto's ter beschikking aan werknemers die deze ook privé mochten gebruiken. Voor een deel van de vennootschappen corrigeerde belanghebbende de aftrek van omzetbelasting conform artikel 15 van Pro de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968. Voor de overige vennootschappen bracht belanghebbende de volledige omzetbelasting in aftrek en betaalde belasting over de eigen bijdragen van werknemers, die niet afhankelijk waren van het werkelijke privégebruik.

De Inspecteur stelde dat ook voor deze laatste groep de correctiemethode van artikel 15 van Pro de Beschikking toegepast moest worden wegens het ontbreken van een sluitende kilometeradministratie. Het Hof oordeelde dat de bewijslast bij belanghebbende ligt om aan te tonen in hoeverre de auto's privé zijn gebruikt, maar dat bij het ontbreken van gegevens de Inspecteur zich redelijkerwijs op artikel 15 kan Pro beroepen. De Hoge Raad stelt echter dat de bewijslast voor de correctie bij de Inspecteur ligt, maar bevestigt het oordeel van het Hof dat op basis van door belanghebbende verstrekte gegevens de Inspecteur het privégebruik niet onredelijk heeft benaderd.

Het Hof verwierp het standpunt van belanghebbende dat de correctie niet nodig zou zijn vanwege de eigen bijdragen van werknemers en oordeelde dat het achterwege laten van de correctie grove schuld oplevert. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het oordeel van het Hof. Er worden geen proceskosten opgelegd.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de Inspecteur de aftrek van omzetbelasting mag corrigeren bij ontbreken van sluitende kilometeradministratie.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de fiscale eenheid X N.V. c.s. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 14 mei 1997 betreffende na te melden naheffingsaanslag in de omzetbelasting.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 1988 tot en met 31 december 1988 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een aanslag ten bedrage van f 150.809,-- aan enkelvoudige belasting en f 37.702,-- aan verhoging. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.
3. Beoordeling van de middelen van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: Verschillende van de 91 tot belanghebbende behorende
vennootschappen stellen door hen geleasde personenauto's ter beschikking van werknemers, die daarvan mede voor privé-doeleinden gebruik mogen maken. Met betrekking tot 40 van die vennootschappen heeft belanghebbende de aftrek van in rekening gebrachte omzetbelasting ter zake van de kosten van de auto's gecorrigeerd met overeenkomstige toepassing van het bepaalde in artikel 15 van Pro de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 (hierna: de Beschikking). Voor wat betreft de overige vennootschappen heeft belanghebbende de ter zake van de kosten van de auto's in rekening gebrachte omzetbelasting volledig in aftrek gebracht en daartegenover belasting voldaan over de eigen bijdragen van werknemers, welke bijdragen afhankelijk zijn van onder meer het type auto, de gebruikte brandstof, het aantal standaard verreden kilometers, maar niet per geval afhankelijk zijn gesteld van het werkelijke aantal privé verreden kilometers. De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat eerstgenoemde correctiemethode ook bij de tweede groep vennootschappen toegepast dient te worden, aangezien een sluitende kilometer-administratie ontbreekt.
3.2. Het Hof heeft vooropgesteld dat het op de weg van belanghebbende ligt te stellen en bij betwisting door de Inspecteur aannemelijk te maken in hoeverre de in geding zijnde personenauto's voor zakelijke en voor privé-doeleinden van werknemers zijn gebruikt. Het Hof heeft vervolgens overwogen dat, nu - naar de Inspecteur onweersproken heeft gesteld - de administratie van belanghebbende geen gegevens bevat waaruit op enigerlei wijze is af te leiden in hoeverre de in geding zijnde personenauto's voor privé-doeleinden van de desbetreffende werknemer zijn gebruikt, de Inspecteur zich in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat de op het gebruik voor privé-doeleinden betrekking hebbende omzetbelasting dient te worden bepaald door overeenkomstige toepassing van het bepaalde in artikel 15 van Pro de Beschikking en dat belanghebbende alsdan het bewijs dient te leveren dat de uitkomst daarvan leidt tot de uitsluiting van de aftrek tot een te hoog bedrag aan omzetbelasting. Middel I strekt ten betoge dat het Hof, gelet op het overwogene in het arrest van de Hoge Raad van 29 juni 1994, nr. 29780, BNB 1994/243, op deze wijze de bewijs- last onjuist heeft verdeeld. Het middel wordt terecht voorgesteld. De forfaitaire methode van artikel 15 van Pro de Beschikking kan in casu geen toepassing vinden. De bewijslast berust derhalve bij de Inspecteur. Het middel kan evenwel niet tot cassatie leiden. Het Hof heeft op grond van door belanghebbende zelf verstrekte gegevens en gemaakte berekeningen geoordeeld (rechtsoverweging 5.5) dat niet gezegd kan worden dat belanghebbende heeft kunnen volstaan met voldoening van omzetbelasting over de eigen bijdrage, en dat veeleer op grond daarvan aannemelijk is dat de Inspecteur het aan het privé-gebruik toe te rekenen deel van de voorbelasting niet op onredelijke wijze heeft benaderd. Het middel bestrijdt dat oordeel slechts in zoverre dat betoogd wordt dat de berekening die het Hof aan bedoeld oordeel ten grondslag heeft gelegd, op een iets lager percentage van de aftrek uit te sluiten omzetbelasting uitkomt dan bij toepassing van het forfait neergelegd in artikel 15 van Pro de Beschikking het geval zou zijn. Ook als dit betoog juist zou zijn, staat dat niet in de weg aan 's Hofs oordeel dat niet gezegd kan worden dat belanghebbende heeft kunnen volstaan met voldoening van de omzetbelasting over de eigen bijdrage en dat veeleer aannemelijk is dat de Inspecteur het aan het privé- gebruik op grond daarvan toe te rekenen deel van de voorbelasting niet op onredelijke wijze heeft benaderd. Aangezien dit oordeel 's Hofs beslissing zelfstandig draagt en uitgaat van de door belanghebbende zelf verstrekte gegevens en gemaakte berekeningen, is niet meer van belang dat het Hof in zijn rechtsoverweging 5.3 is uitgegaan van een onjuiste verdeling van de bewijslast.
3.3. Het Hof heeft het door belanghebbende ingenomen standpunt ter zake van de correctie van voorbelasting zonder beschikbaarheid van feitelijke gegevens niet pleitbaar geacht, en geoordeeld dat belanghebbende door het zonder meer achterwege laten van de correctie van de aftrek van voorbelasting te dien aanzien ten minste grove schuld valt te verwijten. Middel II stelt dat belanghebbendes standpunt wel pleitbaar was, aangezien het berustte op de in onderhandelingen met de werknemers tot stand gekomen eigen bijdragen. Het middel faalt, aangezien in voormeld oordeel de verwerping van deze stelling ligt besloten en dit oordeel niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en als verweven met waarderingen van feitelijke aard voor het overige in cassatie niet op zijn juistheid kan worden getoetst.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is op 1 juli 1998 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter en de raadsheren De Moor, Van der Putt-Lauwers, Meij en Van Vliet, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.