ECLI:NL:PHR:2010:AZ8011
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toetsing aftrekbeperking privégebruik auto personeel aan Zesde richtlijn en bestuurspraktijk
Belanghebbende gebruikte in 2002 twee personenauto's in haar onderneming en bracht de BTW volledig in aftrek. Voor het privégebruik door personeel paste zij een correctie toe op basis van het Besluit uitsluiting aftrek omzetbelasting 1968 (BUA), waarbij zij 12% van 25% van de catalogusprijs corrigeerde. De Inspecteur wees bezwaar af en het Hof verklaarde het beroep ongegrond.
De Hoge Raad toetst of het BUA en de bestuurspraktijken rond de aftrekbeperking in overeenstemming zijn met artikel 17, zesde lid, van de Zesde richtlijn. Het BUA sluit aftrek uit voor personeelsvoorzieningen, waaronder privévervoer, en is volgens de Hoge Raad voldoende bepaald en conform de richtlijn. De bestuurspraktijk die vóór 30 augustus 2002 een forfait van 20% toepaste, werd erkend als gedoogbeleid, maar het Besluit van 30 augustus 2002 verhoogde dit forfait naar 25%.
De Hoge Raad oordeelt dat deze verhoging met terugwerkende kracht in strijd is met het vertrouwensbeginsel, omdat belanghebbende tot de publicatie mocht vertrouwen op het 20%-forfait. De correctie moet daarom tijdsevenredig worden toegepast. De overige cassatiemiddelen over de toelaatbaarheid van het forfait en de bepaling van het BUA worden verworpen. De Hoge Raad verklaart het beroep gegrond en wijst terug voor vermindering van de naheffingsaanslag.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het beroep gegrond en bepaalt dat de forfaitaire correctie van 25% met terugwerkende kracht niet mag worden toegepast, maar tijdsevenredig moet worden berekend.