ECLI:NL:HR:1998:AA2582
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Bellaart
- Van Brunschot
- Van Vliet
- Hammerstein
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep wegens niet tijdige betaling griffierecht in belastingzaak
Belanghebbende werd voor het jaar 1992 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd. Na bezwaar en beroep bij het Gerechtshof Amsterdam werd hij niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdige betaling van het griffierecht. Belanghebbende betaalde het griffierecht pas na de gestelde termijn, nadat de griffier hem had gewezen op de verschuldigdheid.
In cassatie stelde belanghebbende dat het Hof ten onrechte geen tweede termijn voor betaling had gesteld, verwijzend naar artikel 6:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het gelijkheidsbeginsel, aangezien in andere ressorten een ruimere termijn wordt gegeven. Het Hof had geoordeeld dat de wettelijke regeling in artikel 5, lid 5, van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken (Wet ARB) en artikel 8:41 Awb Pro een eigen regeling vormen, waarbij geen tweede termijn verplicht is.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en overwoog dat de bijzondere regeling in de Wet ARB en Awb lex specialis is ten opzichte van artikel 6:6 Awb Pro, waardoor geen verplichting bestaat tot het geven van een tweede termijn. Ook de stelling dat in andere ressorten een ruimere praktijk geldt, leidt niet tot een verplichting voor het Hof om die praktijk te volgen. Het beroep werd verworpen en belanghebbende bleef niet-ontvankelijk.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt verworpen wegens niet tijdige betaling van het griffierecht zonder recht op hersteltermijn.