ECLI:NL:PHR:1998:AA2582
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Ontvankelijkheid van beroep bij niet-tijdige betaling griffierecht in belastingzaken
De zaak betreft een cassatieberoep van een belanghebbende tegen een uitspraak van het Hof Amsterdam waarin hij niet-ontvankelijk werd verklaard wegens te late betaling van het griffierecht in een belastingzaak over het jaar 1992.
De belanghebbende betaalde het griffierecht pas na de gestelde termijn van vier weken, omdat beslag op zijn vermogen was gelegd en hij pas op de dag van betaling het bedrag kon lenen. Hij voerde aan dat hem onterecht niet de gelegenheid was gegeven het verzuim te herstellen en dat er sprake was van rechtsongelijkheid door verschillende praktijken bij gerechtshoven.
De Hoge Raad overwoog dat de wettelijke regeling inzake griffierechten in belastingzaken een eigen, imperatieve regeling kent die afwijkt van de algemene herstelregeling in de Awb. De wet bepaalt dat bij niet-tijdige betaling het beroep niet-ontvankelijk is, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
De Hoge Raad verwierp het beroep en bevestigde dat het ontbreken van een tweede termijn voor betaling niet strijdig is met de wet. Ook het beroep op ongelijkheid in de praktijk tussen ressorten slaagt niet. De Hoge Raad benadrukt dat de wettelijke regeling duidelijk is en dat de griffier de indiener op tijd moet wijzen op de verschuldigdheid van het griffierecht.
De uitspraak bevestigt dat in belastingzaken strikt wordt toegezien op tijdige betaling van griffierechten en dat de mogelijkheid tot herstel van verzuim beperkt is tot bijzondere omstandigheden die het verzuim rechtvaardigen.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-tijdige betaling van het griffierecht.