ECLI:NL:HR:1998:AA2590
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Bellaart
- Van Brunschot
- Van Vliet
- Hammerstein
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt oordeel over niet-uitzonderlijk beleggen van vermogen door D B.V.
In deze zaak stond centraal of D B.V. in 1991 een lichaam was dat uitsluitend beleggingsactiviteiten verrichtte zoals bedoeld in artikel 8, lid 6, letter b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Belanghebbende, houder van alle aandelen in D B.V., had bezwaar gemaakt tegen een aanslag in de vermogensbelasting die was opgelegd op basis van een vermogen van ƒ 1.678.000,--.
Het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch vernietigde de uitspraak van de Inspecteur en verminderde de aanslag tot een vermogen van ƒ 1.133.555,--. De Staatssecretaris stelde hiertegen cassatieberoep in. De Hoge Raad oordeelde dat het Hof terecht had geoordeeld dat D B.V. niet uitsluitend beleggingsactiviteiten verrichtte. Dit oordeel was gebaseerd op het feit dat D B.V. aanzienlijke risico's liep verbonden aan een vordering op een voormalige werkmaatschappij, wat niet past bij normaal vermogensbeheer.
De Hoge Raad verwierp het middel dat stelde dat het lopen van risico's niet uitsloot dat sprake was van uitsluitend beleggen. Het oordeel van het Hof berustte op feitelijke waarderingen die in cassatie niet konden worden getoetst. De Hoge Raad veroordeelde de Staatssecretaris in de proceskosten en bepaalde de hoogte daarvan. Het beroep werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat D B.V. in 1991 niet uitsluitend beleggingsactiviteiten verrichtte.