Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:1999:AA2661

Hoge Raad

Datum uitspraak
17 februari 1999
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
33844
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • vice-president Stoffer
  • raadsheer Zuurmond
  • raadsheer Fleers
  • raadsheer Pos
  • raadsheer Monné
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 273 Gemeentewet (oud)artikel 4, lid 2, van de Verordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling vervangingswaarde onroerende zaak bij overgang niet-commerciële naar commerciële exploitatie

Belanghebbende, X B.V., was erfpachtster en feitelijk gebruiker van een zwembadcomplex in Deurne dat tot 1 september 1993 door de gemeente niet-commercieel werd geëxploiteerd. Voor het jaar 1994 werden aanslagen onroerendezaakbelasting opgelegd gebaseerd op een vervangingswaarde die niet rekening hield met de privatisering en overgang naar commerciële exploitatie.

Het hof vernietigde deels de aanslag maar verwierp het standpunt van belanghebbende dat de waarde op de bedrijfswaarde moest worden gesteld, omdat het zwembad volgens het hof niet commercieel werd geëxploiteerd op de waardepeildatum. De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte niet heeft meegewogen dat bij overgang van niet-commerciële naar commerciële exploitatie de waardering op bedrijfswaarde moet plaatsvinden, conform de strekking van de wet en jurisprudentie.

De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof en verwijst de zaak naar het Gerechtshof Arnhem voor verdere behandeling met inachtneming van deze uitleg. Tevens worden de proceskosten aan de zijde van belanghebbende toegewezen aan de gemeente.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar het Gerechtshof Arnhem voor nieuwe behandeling met inachtneming van de juiste waarderingsgrondslag.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 2 oktober 1997 betreffende na te melden aan haar voor het jaar 1994 opgelegde aanslagen in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Deurne.
1. Aanslagen, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende zijn voor het jaar 1994 wegens het genot krachtens zakelijk recht en het feitelijke gebruik van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als a- straat 1, op één aanslagbiljet verenigde aanslagen in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Deurne opgelegd naar een heffingsgrondslag van f 4.398.000,--. Op het aanslagbiljet zijn tevens opgenomen aanslagen wegens het genot krachtens zakelijk recht van de onroerende zaken a- straat 2 en a-straat 3. Na daartegen gemaakt bezwaar zijn de aanslagen bij uitspraak van Burgemeester en wethouders van de gemeente Deurne (hierna: B en W) gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van B en W in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak en de aanslag voor de onroerende zaak a-straat 1 nabij vernietigd en de overige aanslagen gehandhaafd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. B en W hebben een vertoogschrift ingediend.
3. Beoordeling van de klachten 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Op 1 januari 1994 was belanghebbende erfpachtster en feitelijk gebruikster van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als a-straat 1 te Deurne. Belanghebbende exploiteerde de onroerende zaak, een zwembadcomplex, vanaf 1 september 1993. Tot die tijd heeft de gemeente het zwembad geëxploiteerd, met voortdurende tekorten. In de privatiseringsovereenkomst tussen belanghebbende en de gemeente is bepaald dat gedurende twintig jaar de gemeente jaarlijks zal bijdragen in de exploitatiekosten. 3.2. In middel 1 betoogt belanghebbende dat het Hof ten onrechte niet is ingegaan op haar stelling dat de gemeente het zwembadcomplex op de waardepeildatum, 1 januari 1991, commercieel exploiteerde, zodat de vervangingswaarde met toepassing van het arrest van de Hoge Raad van 8 juli 1992, nr. 27678, BNB 1992/298, kan worden gesteld op de bedrijfswaarde, welke volgens belanghebbende toen nihil bedroeg. Dit middel faalt. In de overwegingen 5.2 en 5.3 van het Hof ligt besloten dat het Hof als juist heeft aanvaard de stelling van B en W dat het zwembad op 1 januari 1991 door de gemeente niet commercieel werd geëxploiteerd, dat wil in dit verband zeggen dat de exploitatie niet uitsluitend geschiedde om daarmee winst te behalen, maar ook en vooral om in het algemeen belang gelegen redenen. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en behoefde in het licht van de vaststaande feiten ook geen nadere motivering. 3.3. In middel 2 herhaalt belanghebbende haar ook voor het Hof gehouden betoog dat de privatisering van het zwembad en de daaruit voortvloeiende overgang naar een op winst gerichte exploitatie een wijziging van bestemming is in de zin van artikel 4, lid 2, van de Verordening, zodat de waarde moet worden bepaald alsof die privatisering reeds op de waardepeildatum haar beslag had gekregen. Dienaangaande geldt het volgende. De mogelijkheid de zogenoemde gecorrigeerde vervangings- waarde van een onroerende zaak te bepalen op de bedrijfswaarde bestaat - partijen gaan terecht daarvan uit - slechts voor een onroerende zaak die commercieel wordt geëxploiteerd. Die mogelijkheid is door de Hoge Raad aanvaard op grond van de bedoeling van de wetgever om door voor bepaalde zaken waardering op de vervangingswaarde voor te schrijven, te bereiken dat die zaken worden belast naar de waarde welke zij in economische zin voor de eigenaar zelf hebben. Aan die bedoeling van de wetgever zou afbreuk worden gedaan indien bij overgang van niet-commerciële exploitatie naar commerciële exploitatie door de werking van de peildatum de eigenaar niet zou worden belast naar de waarde die de zaak voor hem heeft, maar naar de waarde welke deze had voor de vorige eigenaar. De Gemeentewet en de daarop gebaseerde Verordening bevatten geen regeling die hierin voorziet. Bij gebreke van aanwijzingen voor het tegendeel in de op de vervangingswaarde betrekking hebbende wetsgeschiedenis moet de afwezigheid van zodanige regeling worden gehouden voor een leemte. Deze leemte moet in overeenstemming met de strekking van de wettelijke bepalingen door de rechter, op een wijze die past in het stelsel van die wettelijke bepalingen, worden opgevuld. In overeenstemming met de strekking van artikel 4, lid 2, van de Verordening - het corrigeren van ongewenste gevolgen van de werking van de peildatum - moet die bepaling aldus worden uitgelegd dat in geval een onroerende zaak moet worden gewaardeerd naar de vervangingswaarde, bij een verandering van eigenaar waarbij de overgang van een niet-commerciële naar een commerciële exploitatie waardering naar bedrijfswaarde nodig maakt, een aangepaste waardevaststelling moet volgen. Middel 2 is gegrond. De uitspraak kan niet in stand blijven en verwijzing moet volgen.
4. Proceskosten B en W zullen worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. De vraag of in verband met de behandeling van het geding voor het Hof aan belanghebbende een vergoeding voor proceskosten dient te worden toegekend, zal door het verwijzingshof moeten worden beoordeeld.
5. Beslissing De Hoge Raad - vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht,
- verwijst het geding naar het Gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest, - veroordeelt B en W in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op f 1.420,-- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, - gelast dat door B en W aan belanghebbende wordt vergoed het door deze terzake van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht van f 315,--, en - wijst de Gemeente aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.
Dit arrest is op 17 februari 1999 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Zuurmond, Fleers, Pos en Monné, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Dekker- Barendse, en op die datum in het openbaar uitgesproken.