ECLI:NL:HR:1999:AA2674
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Stoffer
- raadsheer Fleers
- raadsheer Pos
- raadsheer Beukenhorst
- raadsheer Monné
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt aftrek onderhoudskosten monumentenpand ondanks huurprijsdiscussie
Belanghebbende verwierf in 1990 mede-eigendom van een monumentenpand met gebruiksrecht van de tweede etage. In 1991 liet hij deze etage verbouwen en betaalde daarvoor 70.641 gulden. Vanaf september 1991 verhuurde hij de etage aan een kunstenares die deze deels als woonruimte en deels als atelier gebruikte voor 600 gulden per maand.
De Inspecteur stelde dat de huurprijs onzakelijk laag was en beperkte daarom de aftrek van onderhoudskosten op grond van artikel 36, lid 8, Wet inkomstenbelasting 1964. Het Hof Amsterdam vernietigde deze aanslag en oordeelde dat de helft van de gemaakte kosten aftrekbaar waren, omdat de Inspecteur onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de huurprijs onzakelijk was.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het Hof en verwierp het cassatieberoep van de Staatssecretaris. Het Hof had terecht geoordeeld dat de huurster mede vanwege deelname aan verbouwingswerkzaamheden in de etage verbleef, waardoor de huurprijs niet onzakelijk was vastgesteld. De Hoge Raad stelde vast dat het Hof geen onjuiste rechtsopvatting had en dat de feitelijke waarderingen niet in cassatie konden worden getoetst.
De Hoge Raad veroordeelde de Staatssecretaris in de proceskosten en legde een recht van 340 gulden op voor het cassatieberoep.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën wordt verworpen en het arrest van het Hof Amsterdam bevestigd.