ECLI:NL:HR:1999:AA2732
Hoge Raad
- Cassatie
- Beukenhorst
- Monné
- Kop
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen parkeergelden gemeente Hoorn
Belanghebbende had bezwaar gemaakt tegen de heffing van parkeergelden door de gemeente Hoorn voor de jaren 1991, 1992 en 1993. Dit bezwaar werd door het Hoofd van de afdeling centrale financiële zaken van de gemeente niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaarperiode.
Belanghebbende ging in beroep bij het Hof Amsterdam, dat het oordeel van het Hoofd bevestigde. Het Hof oordeelde dat de gemeente destijds niet verplicht was om voorlichting te geven over de bezwaarprocedure en dat belanghebbende niet tijdig een verzoek tot machtiging had ingediend om alsnog bezwaar te maken.
In cassatie stelde belanghebbende dat artikel 6:11 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing moest zijn in plaats van artikel 60 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). De Hoge Raad verwierp dit verweer, omdat het besluit vóór de inwerkingtreding van de Awb was genomen en het oude recht daarom van toepassing is.
De Hoge Raad bevestigde daarmee de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar en wees het cassatieberoep af. Er werden geen proceskosten aan belanghebbende opgelegd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar wegens overschrijding van de termijn onder het oude recht.