ECLI:NL:HR:1999:AA2743
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- De Moor
- Van Brunschot
- Van Vliet
- Van Amersfoort
- Rechtspraak.nl
Prejudiciële vragen over omzetbelasting en beheer van dochtervennootschappen door holding
Belanghebbende, een Nederlandse tussenholding, bracht in de jaren 1993-1994 omzetbelasting in aftrek over een bedrag van ƒ 8.114,--. De Inspecteur stelde dat belanghebbende niet als ondernemer in het economische verkeer handelde en weigerde de aftrek, hetgeen door het Hof werd bevestigd. Het Hof oordeelde dat de dividenduitkeringen als vergoeding voor het beheer van dochtervennootschappen moesten worden gezien en dat deze activiteiten vrijgesteld waren van btw-heffing op grond van artikel 11, lid 1, letter i, onder 2°, van de Wet op de omzetbelasting 1968, in samenhang met de Zesde richtlijn.
De Hoge Raad onderzoekt in cassatie of het ontvangen dividend als tegenprestatie kan worden aangemerkt en of het moeien in het beheer leidt tot het zijn van een btw-ondernemer. Daarbij verwijst hij naar arresten van het Hof van Justitie, waaronder Polysar en Wellcome Trust, die de grenzen van economische activiteit en btw-plichtigheid bij holdings bepalen.
De Hoge Raad legt prejudiciële vragen voor aan het Hof van Justitie over de kwalificatie van dividend als vergoeding voor beheeractiviteiten, de btw-ondernemersstatus van de holding bij beheeractiviteiten, en de toepassing van de btw-vrijstelling voor beheer. Totdat het Hof van Justitie uitspraak doet, wordt de procedure geschorst.
Uitkomst: De Hoge Raad schorst de procedure en verzoekt het Hof van Justitie om prejudiciële beslissing over btw-plichtigheid en vrijstellingen bij holdings die zich moeien in het beheer van dochtervennootschappen.