ECLI:NL:HR:1999:AA2763
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Stoffer
- Zuurmond
- Pos
- Beukenhorst
- Monné
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad stelt prejudiciële vragen over assurantiebelasting bij verzekeringen voor buitenlandse moeder- en binnenlandse dochtermaatschappijen
Belanghebbende, een in het Verenigd Koninkrijk gevestigde rechtspersoon, kreeg een naheffingsaanslag assurantiebelasting opgelegd over premies voor verzekeringen die zij via een buitenlandse verzekeraar sloot ten behoeve van haar in Nederland gevestigde dochtermaatschappij. De aanslag werd gehandhaafd door de Inspecteur en bevestigd door het Gerechtshof Amsterdam.
De kern van het geschil betreft de uitleg van het begrip 'vestiging' in de Wet op belastingen van rechtsverkeer en de Europese Richtlijn 88/357/EEG. Het Hof oordeelde dat ook een dochtermaatschappij als vestiging van de moedervennootschap kan gelden, waardoor de premies aan assurantiebelasting in Nederland zijn onderworpen.
Belanghebbende betwist deze uitleg en stelt dat de juridische zelfstandigheid van rechtspersonen en het spraakgebruik in de wet dit niet toestaan. De Hoge Raad ziet in deze kwestie vragen van Europees recht en legt deze voor aan het Hof van Justitie, waarbij het geding wordt geschorst totdat het Hof uitspraak doet.
Uitkomst: De Hoge Raad schorst het geding en legt prejudiciële vragen voor aan het Hof van Justitie over de uitleg van assurantiebelasting bij verzekeringen voor binnenlandse dochtermaatschappijen van buitenlandse moedervennootschappen.