ECLI:NL:HR:1999:AA2782
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Van Brunschot
- Van Vliet
- Hammerstein
- Van Amersfoort
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt uitspraak Hof over kwalificatie belegging lichaam in vermogensbelasting
Belanghebbende, aandeelhouder van C B.V., kreeg voor het jaar 1996 een aanslag in de vermogensbelasting opgelegd. Na bezwaar werd de aanslag verminderd, maar het Hof Amsterdam bevestigde deze aanslag. C B.V. had in 1995 haar dochtervennootschap D B.V. verkocht, waarna haar activa bestonden uit verhuurd onroerend goed, leningen, een rekening-courantvordering en effecten. D B.V. had een bankkrediet waarvoor C B.V. borg stond.
Het Hof oordeelde dat C B.V. een lichaam was dat feitelijk vermogen belegde, zoals bedoeld in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, omdat er geen bijzondere omstandigheden waren die wezen op bedrijfsrisico's door de borgstelling. Het Hof baseerde dit mede op de omvang van het eigen vermogen van D B.V. per 1 januari 1995.
De Hoge Raad stelt dat dit oordeel onjuist is omdat de vraag of C B.V. een beleggend lichaam is, afhankelijk is van het aanvaarden van risico's die een particuliere belegger niet zou nemen. Dit moet beoordeeld worden bij het aangaan of verlengen van de borgtocht. Het Hof heeft ten onrechte gewicht toegekend aan het eigen vermogen van D B.V. op een vroegere datum. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en verwijst de zaak naar het Hof Den Haag voor verdere behandeling.
De Staatssecretaris van Financiën wordt veroordeeld in de proceskosten van het cassatieberoep, en het griffierecht wordt aan belanghebbende vergoed. Het verwijzingshof zal beoordelen of belanghebbende een vergoeding voor de kosten van het hofproces krijgt.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof Amsterdam en verwijst de zaak naar het Hof Den Haag voor herbeoordeling.