ECLI:NL:HR:1999:AA2794
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Van Brunschot
- Van Vliet
- Van Amersfoort
- Lourens
- Rechtspraak.nl
Overdracht van onderneming en toerekening overdrachtswinst in inkomstenbelasting
Belanghebbende voerde een eenmanszaak en bracht deze in 1996 in een besloten vennootschap (BV) in. De Inspecteur stelde de inkomstenbelastingaanslag 1995 vast op basis van een belastbaar inkomen inclusief de overdrachtswinst uit deze inbreng. Het hof oordeelde dat belanghebbende de overdrachtswinst niet in 1995 mocht nemen omdat hij zich toen nog niet had gebonden aan de inbreng.
De Hoge Raad stelde vast dat op grond van een goedkeuring van de Staatssecretaris de onderneming met terugwerkende kracht tot 1 januari 1996 wordt geacht voor rekening en risico van de BV te zijn gedreven. Hierdoor moest belanghebbende de boeken van zijn eenmanszaak afsluiten per 1 januari 1996 en mocht hij de overdrachtswinst niet in 1995 nemen.
De Hoge Raad vernietigde het hofarrest en de aanslag, en bepaalde dat de aanslag moest worden verminderd. Tevens werden proceskosten toegewezen aan belanghebbende. Hiermee werd bevestigd dat de overdrachtswinst fiscaal pas in 1996 toerekenbaar is, ondanks dat de intentieverklaring pas in februari 1996 werd getekend.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest en vermindert de aanslag, waarbij de overdrachtswinst fiscaal aan 1996 wordt toegerekend.