ECLI:NL:HR:1999:AA2803
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Van Brunschot
- Hammerstein
- Van Amersfoort
- Lourens
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verwerpt beroep in cassatie tegen navorderingsaanslag inkomstenbelasting 1991
Belanghebbende was voor het jaar 1991 aanvankelijk aangeslagen op een belastbaar inkomen van ƒ 140.947,--. Vervolgens werd een navorderingsaanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 148.574,-- zonder verhoging. Na bezwaar van belanghebbende werd deze aanslag verminderd tot een belastbaar inkomen van ƒ 145.584,--. Belanghebbende ging tegen deze uitspraak in beroep bij het Gerechtshof Arnhem, dat de uitspraak van de Inspecteur bevestigde.
Belanghebbende stelde vervolgens beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. De Staatssecretaris van Financiën bestreed het cassatieberoep en de Plaatsvervangend Procureur-Generaal concludeerde tot verwerping. De Hoge Raad oordeelde dat de middelen van cassatie niet tot cassatie konden leiden en dat nadere motivering niet nodig was, mede gelet op eerdere jurisprudentie.
De Hoge Raad wees het beroep af en zag geen aanleiding voor veroordeling in proceskosten. Het arrest werd op 9 juli 1999 vastgesteld en in het openbaar uitgesproken door de genoemde raadsheren onder voorzitterschap van vice-president Jansen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep tegen de navorderingsaanslag inkomstenbelasting 1991.