ECLI:NL:HR:1999:AA2859
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Van Brunschot
- Hammerstein
- Van Amersfoort
- Lourens
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt rechtmatigheid van belastingaanslag en weigert discriminatie bij verhuiskosten en premieheffing
Belanghebbende was in 1994 zowel binnenlandse als buitenlandse belastingplichtige vanwege werkzaamheden en verblijf in de Verenigde Staten. De Inspecteur legde een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen op, die na bezwaar werd verminderd, maar door belanghebbende werd aangevochten bij het hof. Het hof bevestigde de aanslag, waarna belanghebbende cassatie instelde bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad beoordeelde drie klachten: ten eerste het recht op aftrek van verhuiskosten, waarbij werd geoordeeld dat alleen daadwerkelijk gemaakte kosten aftrekbaar zijn en dat dit niet discrimineert ten opzichte van forfaitaire vergoedingen. Ten tweede de aftrek ter voorkoming van dubbele belasting over werkzaamheden in de VS, waarbij het hof terecht oordeelde dat voor de periode van verblijf in de VS geen aftrek geldt. Ten derde het premiemaximum bij gecombineerde binnenlandse en buitenlandse belastingplicht binnen één jaar, waarbij de Hoge Raad bevestigde dat per aanslag het premiemaximum geldt en dat dit geen discriminatie inhoudt.
De Hoge Raad verwierp het beroep in cassatie en wees een veroordeling in proceskosten af. Hiermee werd het oordeel van het hof bekrachtigd en de aanslag definitief vastgesteld.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof bevestigd.