ECLI:NL:HR:1999:AA2866
Hoge Raad
- Cassatie
- Zuurmond
- Beukenhorst
- Kop
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt discretionaire bevoegdheid hof bij proceskostenveroordeling in belastingzaken
Belanghebbende kreeg voor het jaar 1994 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd. Na bezwaar werd deze verminderd door de Inspecteur, waarna belanghebbende in beroep ging bij het Hof Amsterdam. Het Hof vernietigde de uitspraak van de Inspecteur en stelde de aanslag verder naar beneden bij.
Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het Hof, met als kernklacht dat het Hof ten onrechte geen proceskostenveroordeling aan de zijde van belanghebbende had opgelegd, terwijl zij deels in het gelijk werd gesteld.
De Hoge Raad oordeelde dat hoewel de hoofdregel is dat de tegenpartij wordt veroordeeld in de proceskosten als de belanghebbende geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, het Hof gemotiveerd kan afwijken van die regel. Het Hof had terecht geoordeeld dat het punt waarop belanghebbende deels werd toegewezen pas laat en cijfermatig onderbouwd aan de orde kwam, en dat de Inspecteur zich niet had verzet tegen het overleggen van gegevens tijdens de zitting.
De Hoge Raad zag geen onjuiste rechtsopvatting in dit oordeel en verwierp het cassatieberoep. Er waren geen gronden voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het Hof blijft in stand zonder proceskostenveroordeling.