ECLI:NL:HR:1999:AA2886
Hoge Raad
- Cassatie
- De Moor
- Van Vliet
- Hammerstein
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing teruggaaf omzetbelasting door woningstichting
De woningstichting A te Z verzocht om teruggaaf van omzetbelasting over de periode van 1 januari tot en met 31 maart 1995 ter hoogte van ƒ 3.384.192. Dit verzoek werd door de Inspecteur afgewezen en na bezwaar gehandhaafd. Vervolgens stelde belanghebbende beroep in bij het Gerechtshof Amsterdam, dat het beroep ongegrond verklaarde en de Inspecteur in het gelijk stelde.
Belanghebbende stelde hiertegen cassatieberoep in bij de Hoge Raad, waarbij twee middelen werden voorgesteld. De Staatssecretaris van Financiën diende een vertoogschrift in, maar dit werd wegens te late indiening buiten beschouwing gelaten. De Hoge Raad oordeelde dat de middelen niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was, aangezien geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren.
Ten aanzien van proceskosten oordeelde de Hoge Raad dat geen gronden aanwezig waren voor een veroordeling in proceskosten. Het arrest werd op 22 september 1999 vastgesteld en in het openbaar uitgesproken door raadsheer De Moor als voorzitter en raadsheren Van Vliet en Hammerstein.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de woningstichting wordt verworpen en de afwijzing van de teruggaaf van omzetbelasting bevestigd.