ECLI:NL:HR:1999:AA2747
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- De Moor
- Van Vliet
- Hammerstein
- Van Amersfoort
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt toepassing artikel 31 Wet OB bij overdracht erfpachtsrecht woningcomplex
Belanghebbende, een woningstichting en ondernemer in de zin van de Wet op de omzetbelasting 1968, heeft in 1994 een erfpachtsrecht gevestigd op 163 woningen ten behoeve van een nieuw opgerichte stichting A. Deze woningen vormden een deel van haar verhuuronderneming. De Inspecteur legde een naheffingsaanslag op omdat belanghebbende ten onrechte een bedrag als herzieningsbelasting in mindering had gebracht.
Het Gerechtshof bevestigde dat de overdracht van het erfpachtsrecht als overdracht van een onderneming of een deel daarvan moet worden aangemerkt, zodat geen omzetbelasting verschuldigd is. Het hof oordeelde dat A de onderneming voortzette en dat de woningen, ook al waren sommige nog niet verhuurd, deel uitmaakten van het ondernemingsvermogen.
In cassatie betoogde belanghebbende onder meer dat het slechts losse bedrijfsmiddelen betrof en dat A de onderneming niet zelf voortzette. De Hoge Raad verwierp deze middelen, bevestigde het oordeel van het hof en oordeelde dat de naheffingsaanslag terecht was opgelegd. Tevens wees de Hoge Raad het beroep op artikel 37 Wet Pro OB af en veroordeelde geen proceskosten.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de naheffingsaanslag omzetbelasting terecht is opgelegd.