ECLI:NL:HR:1999:AA2922

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 oktober 1999
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
324
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • R.J.J. Jansen
  • Van Brunschot
  • Van Vliet
  • Hammerstein
  • Lourens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 Verdrag inzake sociale zekerheidArt. 2 lid 1 Verdrag inzake sociale zekerheidArt. 5 lid 2 AWBZArt. 8 leden 1 en 2 BUB 1989Art. 30 BUB 1989
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt verzekeringsplicht AWBZ ondanks sociaalzekerheidsverdrag met Israël

De zaak betreft het geschil over de verzekeringsplicht van twee belanghebbenden die na emigratie naar Israël een verzoek deden tot inschrijving als verzekerden op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). ZAO, de verzekeraar, weigerde deze inschrijving op basis van het Verdrag inzake sociale zekerheid tussen Nederland en Israël en het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden (BUB 1989).

De rechtbank en de Centrale Raad van Beroep oordeelden dat het Verdrag en het BUB 1989 niet uitsluiten dat belanghebbenden verzekerd zijn op grond van de AWBZ. Het Verdrag sluit verstrekkingen bij ziekte uit van zijn materiële werkingssfeer, waardoor de AWBZ niet wordt geraakt. Ook artikel 36 BUB Pro 1989, dat exclusieve werking beoogt, leidt niet tot uitsluiting van de AWBZ-verzekering.

De Hoge Raad bevestigt deze oordelen en wijst het cassatieberoep van ZAO af. De Hoge Raad benadrukt dat het Verdrag en het BUB 1989 niet verhinderen dat belanghebbenden vanaf 1 januari 1990 als verzekerden onder de AWBZ worden aangemerkt. ZAO wordt veroordeeld in de proceskosten van de belanghebbende Y.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat belanghebbenden verzekerd zijn onder de AWBZ.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van Onderlinge Waarborgmaatschappij ZAO Zorgverzekeringen U.A. (hierna: ZAO) tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 5 november 1997 betreffende na te melden ten aanzien van X en Y, beiden wonende te Z (Israël), (hierna: belanghebben-den) genomen beslissingen ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: de AWBZ).
1. Beslissingen en geding voor de Arrondissements-rechtbank
Bij onderscheiden zogenoemde voor beroep vatbare beslissingen, gedagtekend 10 augustus 1993, heeft ZAO belanghebbenden kennis gegeven van haar besluiten hen niet in te schrijven als verzekerden op grond van de AWBZ. Belanghebbenden hebben elk voor zich tegen deze beslissingen beroep ingesteld bij de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam.
De Rechtbank heeft bij onderscheiden uitspraken van 4 januari 1995 de beroepen gegrond verklaard en de bestreden beslissingen vernietigd.
2. Geding voor de Centrale Raad
ZAO heeft tegen beide uitspraken van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad.
De Centrale Raad heeft de aangevallen uitspraken bevestigd. De uitspraak van de Centrale Raad is aan dit arrest gehecht.
3. Geding in cassatie
ZAO heeft tegen de uitspraak van de Centrale Raad beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De belanghebbende Y heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.
De Advocaat-Generaal Ilsink heeft op 31 maart 1999 geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van de Centrale Raad alsmede van beide uitspraken van de Rechtbank en in beide gevallen tot ongegrondverklaring van het beroep in eerste aanleg. De belanghebbende Y heeft een schriftelijke reactie op die conclusie gegeven. Hoewel deze reactie eerst op 28 mei 1999 is ingediend, heeft de Hoge Raad, gelet op de aangevoerde reden voor het later reageren dan in het algemeen gesproken verenigbaar is te achten met de eisen van een goede procesorde, gemeend op de reactie acht te moeten slaan.
4. Beoordeling van het middel van cassatie
4.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbenden zijn na het bereiken van de leeftijd van 65 jaren en vóór 1 juli 1989 vanuit Nederland naar Israël geëmigreerd. Zij hadden op de dag van hun vertrek recht op een uitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet die ten minste 35% van het wettelijk minimumloon beliep. Zij hebben ZAO in 1993 bij onderscheiden brieven verzocht hen in te schrijven als verzekerden ingevolge de AWBZ. ZAO heeft deze verzoeken afgewezen op grond dat ingevolge het bepaalde in artikel 6 van Pro het Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Staat Israël, Trb. 1984, 65 (hierna: het Verdrag) en artikel 36 van Pro het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1989 (hierna: het BUB 1989) belanghebbenden als niet verzekerden voor de volksverzekeringen moeten worden aangemerkt.
4.2. Voor de Centrale Raad was in geschil of moet worden geoordeeld dat het Verdrag en het BUB 1989 in de weg staan aan de inschrijving van belanghebbenden als verzekerden ingevolge de AWBZ.
4.3. De Centrale Raad heeft voormelde vraag ontkennend beantwoord en daartoe – onder meer - geoordeeld: dat hij de zienswijze van belanghebbenden en de Rechtbank ter zake van de materiële werkingssfeer van het Verdrag deelt; dat de opvatting dat het Verdrag geen betrekking heeft op de AWBZ juist is; dat dit betekent dat ten aanzien van de vraag of belanghebbenden verzekerd zijn ingevolge de AWBZ, geen betekenis kan worden toegekend aan het bepaalde in artikel 6 van Pro het Verdrag, dat voorzoveel hier van belang inhoudt dat personen op wie het Verdrag van toepassing is, onderworpen zijn aan de wetgeving van de partij op het grondgebied waarvan zij wonen; dat artikel 36 van Pro het BUB 1989 blijkens haar opschrift "exclusieve werking" beoogt, te weten van de toepasselijkheid van door overeenkomsten of regelingen inzake sociale zekerheid tussen Nederland en andere mogendheden aangewezen wetgeving; dat de werking van die bepaling niet zover strekt dat zij de exclusieve toepasselijkheid van de door een verdrag aangewezen wetgeving, ook ter zake van een tak van verzekering waarop het desbetreffende verdrag geen betrekking heeft, zou kunnen bewerkstelligen; dat voorzover de rechtspositie van belanghebbenden ter zake van verzekering ingevolge de AWBZ wordt beheerst door artikel 36 van Pro het BUB 1989, deze bepaling derhalve niet tot uitsluiting van de verzekering kan leiden; dat belanghebbenden vanaf 1 januari 1990 als verzekerden moeten worden aangemerkt op grond van artikel 8, lid 2, van het BUB 1989.
Tegen deze oordelen komt het middel op.
4.4. Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat belanghebbenden, uitsluitend beoordeeld naar nationaal Nederlands recht, ingevolge artikel 5, lid 2, van de AWBZ jo. artikel 8, leden 1 en 2, van het BUB 1989, met ingang van 1 januari 1990 als verzekerden moeten worden aangemerkt. De Centrale Raad heeft mitsdien met juistheid geoordeeld dat het bepaalde in artikel 30 van Pro het BUB 1989 hier toepassing mist.
Voorts moet worden vooropgesteld dat de Centrale Raad met partijen terecht ervan is uitgegaan dat belanghebbenden onder de personele werkingssfeer van het Verdrag vallen.
4.5. Het middel betoogt in de eerste plaats dat er geen gegronde redenen zijn om te concluderen dat, zoals de Centrale Raad heeft geoordeeld, verstrekkingen bij ziekte op grond van de AWBZ van de materiële werkingssfeer van het Verdrag zijn uitgezonderd.
Dit betoog faalt. Met betrekking tot zijn materiële werkingssfeer bepaalt het Verdrag in artikel 2, lid 1, aanhef en onderdeel A, dat het van toepassing is op de daar genoemde takken van socialezekerheidswetgeving. De Toelichtende Nota bij het Verdrag merkt te dien aanzien op:
"De materiële werkingssfeer van het verdrag omvat alle takken van sociale zekerheid met uitzondering van de verstrekkingen bij ziekte. Ten aanzien van deze tak van verzekering zijn geen bepalingen in het verdrag opgenomen omdat in Israël geen wettelijke ziektekostenverzekering bestaat."(Kamerstukken II 1983/84, 18 531, nr. 1, blz. 2).
Uit deze toelichting moet worden afgeleid dat naar de kennelijke bedoeling van de verdragsluitende partijen tot de in artikel 2, lid 1, aanhef en onderdeel A, genoemde wetgeving betreffende de ziekteverzekering niet behoort de AWBZ. Anders dan het middel betoogt, staan aan deze opvatting de tekst noch de geschiedenis van de totstandkoming van het Verdrag in de weg.
4.6. Het middel betoogt in de tweede plaats dat zowel de letter als de ratio van artikel 36 van Pro het BUB 1989 meebrengen dat buiten Nederland wonende personen op wie het stelsel van sociale verzekering van hun woonland van toepassing is, niet verzekerd zijn onder de AWBZ.
Dit betoog faalt eveneens. Artikel 36 strekt Pro ertoe exclusieve werking toe te kennen aan krachtens overeenkomst of regeling van toepassing zijnde wetgeving van een andere mogendheid. Gelet op deze strekking blijft de werking van deze bepaling beperkt tot die volksverzekeringen die onder de materiële werkingssfeer van de desbetreffende overeenkomst of regeling vallen. De Centrale Raad heeft mitsdien terecht geoordeeld dat artikel 36 niet Pro tot uitsluiting van belanghebbenden van verzekering ingevolge de AWBZ kan leiden.
4.7. Het voorgaande brengt mee dat het middel niet tot cassatie kan leiden.
4. Proceskosten
ZAO zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van de belanghebbende Monasch.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt ZAO in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van de belanghebbende Y, vastgesteld op f 1.420,-- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is op 13 oktober 1999 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Van Brunschot, Van Vliet, Hammerstein en Lourens, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.