ECLI:NL:HR:1999:AA2922
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Van Brunschot
- Van Vliet
- Hammerstein
- Lourens
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt verzekeringsplicht AWBZ ondanks sociaalzekerheidsverdrag met Israël
De zaak betreft het geschil over de verzekeringsplicht van twee belanghebbenden die na emigratie naar Israël een verzoek deden tot inschrijving als verzekerden op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). ZAO, de verzekeraar, weigerde deze inschrijving op basis van het Verdrag inzake sociale zekerheid tussen Nederland en Israël en het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden (BUB 1989).
De rechtbank en de Centrale Raad van Beroep oordeelden dat het Verdrag en het BUB 1989 niet uitsluiten dat belanghebbenden verzekerd zijn op grond van de AWBZ. Het Verdrag sluit verstrekkingen bij ziekte uit van zijn materiële werkingssfeer, waardoor de AWBZ niet wordt geraakt. Ook artikel 36 BUB Pro 1989, dat exclusieve werking beoogt, leidt niet tot uitsluiting van de AWBZ-verzekering.
De Hoge Raad bevestigt deze oordelen en wijst het cassatieberoep van ZAO af. De Hoge Raad benadrukt dat het Verdrag en het BUB 1989 niet verhinderen dat belanghebbenden vanaf 1 januari 1990 als verzekerden onder de AWBZ worden aangemerkt. ZAO wordt veroordeeld in de proceskosten van de belanghebbende Y.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat belanghebbenden verzekerd zijn onder de AWBZ.