Uitspraak
16 maart 1999.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van de Arrondissementsrechtbank Rotterdam van 3 juli 1998 over een uitleveringsverzoek van Spanje. De rechtbank had de uitlevering deels toelaatbaar en deels ontoelaatbaar verklaard. De opgeëiste persoon stelde verschillende middelen in cassatie, waaronder het ontbreken van een proces-verbaal van de zitting en een beroep op schending van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro.
De Hoge Raad constateerde dat het proces-verbaal alsnog was aangeleverd, waardoor dat middel feitelijk was komen te vervallen. Ten aanzien van het middel over de redelijke termijn oordeelde de Hoge Raad dat het niet aan de Nederlandse rechter is om in een uitleveringsprocedure te toetsen of de verzoekende staat het EVRM heeft geschonden. Er geldt een vertrouwensbeginsel dat de verzoekende staat de EVRM-bepalingen zal eerbiedigen, tenzij sprake is van een flagrante schending die uitlevering onmogelijk maakt.
Verder wees de Hoge Raad het middel af dat de stukken niet voldoende bekend waren gemaakt aan de opgeëiste persoon en diens raadsman. Ook andere middelen werden verworpen. De Hoge Raad concludeerde dat geen van de middelen tot cassatie konden leiden en verwierp het beroep. Hiermee bleef de gedeeltelijke toelaatbaarheid van de uitlevering aan Spanje in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de gedeeltelijke toelaatbaarheid van de uitlevering aan Spanje.