Uitspraak
14 april 2000.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Ontvanger de bestuurder van Nedantil, hier aangeduid als eiser, gedagvaard wegens hoofdelijke aansprakelijkheid voor een belastingschuld van ƒ 237.210,-- en de daarbij behorende invorderingsrente. De vordering is ingesteld op grond van artikel 36 Invorderingswet Pro 1990.
De Rechtbank te 's-Gravenhage verwees de zaak naar de rol voor conclusie na tussenvonnis, waarna het Gerechtshof te 's-Gravenhage het tussenvonnis bekrachtigde en de zaak terugwees naar de Rechtbank voor verdere behandeling. Tegen dit arrest van het Hof stelde eiser beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad oordeelt dat de klachten van eiser niet leiden tot cassatie en dat er geen aanleiding is tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Het beroep wordt derhalve verworpen. Tevens wordt eiser veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
Het arrest is gewezen door de vice-president Mijnssen als voorzitter en de raadsheren Heemskerk, Herrmann, Van der Putt-Lauwers en Hammerstein en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2000.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de hoofdelijke aansprakelijkheid van de bestuurder voor de belastingschuld en invorderingsrente.